Oefentoets Orthopedie Kwartiel 1 Anatomie
Heup
Vraag 1:
Het ligamentum teres is het vetkussentje in de fossa acetabulum, wat zich verplaats bij
heupbewegingen.
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 2:
Wanneer de inclinatiehoek kleiner is dan 120 graden, spreekt men van een
A. Coxa vara
B. Caxa valga
Vraag 3:
De anteversiehoek van de heup is:
A. 125-127 graden
B. 50-56 graden
C. 11-15 graden
Vraag 4:
In het heupgewricht wordt de zwaartekracht overgebracht van het:
A. Femur bekken substantia spongiosa
B. Bekken femur substantia spongiosa
C. Substantia spongiosa bekken femur
Vraag 5:
De femurkop ontvangt zijn bloed caudaal via het lig. Capitis femoris door het ramus acetabularis
(vertakking van de a. obturatioria)
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 6:
Gegeven: Het dijbeen kan onderverdeeld worden in drie compartimenten: het anterieure, het
posterieure en het mediale compartiment.
Stelling: het posterieure compartiment wordt geinnerveerd door:
A. N. femoralis
B. N. ischiadicus
C. N. obturatorius
,Vraag 7:
…. deel van de kop van het femur zit in de kom van het acetabulum
A. 1/5
B. 1/3
C. 2/3
Vraag 8:
Lig. Pubofemorale begrenst abductie en extensie
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 9:
De femorale driekhoek bestaat uit het lig. Inguinale, sartorius en abductor longus
A. Waar
B. Niet waar
, Lumbale wervelkolom
Vraag 10:
De wervelkolom heeft zowel een statische als kinetische functie
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 11:
De corpus vertebrae en arcus vertebrae omgeven het foramen vertebrale
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 12:
Een bewegingseenheid van de wervelkolom zijn twee aan elkaar grenzende wervels
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 13:
De lumbale wervels worden gekenmerkt door:
A. Groot corpus, een driehoekig foramen vertebrale en brede horizontale processus spinosi,
waarvan de uiteinden verdikt zijn
B. Groot corpus, een driehoekig foramen vertebrale en smalle horizontale processus spinosi,
waarvan de uiteinden verdikt zijn
C. Smal corpus, een driehoekig foramen vertebrale en brede horizontale processus spinosi,
waarvan de uiteinden verdikt zijn
Vraag 14:
De nucleus pulposus van de disci intervertebrale bestaat uit lamellen van collage vezels
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 15:
Welke tussenwervelschijven zijn relatief dun
A. Cervicaal
B. Thoracaal
C. Lumbaal
Vraag 16:
Wat is de functie van dikkere tussenwervelschijven
A. Meer stabiliteit
B. Meer mobiliteit
C. Meer uiteendrijving van de voeding- en afvalstoffen
Heup
Vraag 1:
Het ligamentum teres is het vetkussentje in de fossa acetabulum, wat zich verplaats bij
heupbewegingen.
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 2:
Wanneer de inclinatiehoek kleiner is dan 120 graden, spreekt men van een
A. Coxa vara
B. Caxa valga
Vraag 3:
De anteversiehoek van de heup is:
A. 125-127 graden
B. 50-56 graden
C. 11-15 graden
Vraag 4:
In het heupgewricht wordt de zwaartekracht overgebracht van het:
A. Femur bekken substantia spongiosa
B. Bekken femur substantia spongiosa
C. Substantia spongiosa bekken femur
Vraag 5:
De femurkop ontvangt zijn bloed caudaal via het lig. Capitis femoris door het ramus acetabularis
(vertakking van de a. obturatioria)
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 6:
Gegeven: Het dijbeen kan onderverdeeld worden in drie compartimenten: het anterieure, het
posterieure en het mediale compartiment.
Stelling: het posterieure compartiment wordt geinnerveerd door:
A. N. femoralis
B. N. ischiadicus
C. N. obturatorius
,Vraag 7:
…. deel van de kop van het femur zit in de kom van het acetabulum
A. 1/5
B. 1/3
C. 2/3
Vraag 8:
Lig. Pubofemorale begrenst abductie en extensie
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 9:
De femorale driekhoek bestaat uit het lig. Inguinale, sartorius en abductor longus
A. Waar
B. Niet waar
, Lumbale wervelkolom
Vraag 10:
De wervelkolom heeft zowel een statische als kinetische functie
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 11:
De corpus vertebrae en arcus vertebrae omgeven het foramen vertebrale
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 12:
Een bewegingseenheid van de wervelkolom zijn twee aan elkaar grenzende wervels
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 13:
De lumbale wervels worden gekenmerkt door:
A. Groot corpus, een driehoekig foramen vertebrale en brede horizontale processus spinosi,
waarvan de uiteinden verdikt zijn
B. Groot corpus, een driehoekig foramen vertebrale en smalle horizontale processus spinosi,
waarvan de uiteinden verdikt zijn
C. Smal corpus, een driehoekig foramen vertebrale en brede horizontale processus spinosi,
waarvan de uiteinden verdikt zijn
Vraag 14:
De nucleus pulposus van de disci intervertebrale bestaat uit lamellen van collage vezels
A. Waar
B. Niet waar
Vraag 15:
Welke tussenwervelschijven zijn relatief dun
A. Cervicaal
B. Thoracaal
C. Lumbaal
Vraag 16:
Wat is de functie van dikkere tussenwervelschijven
A. Meer stabiliteit
B. Meer mobiliteit
C. Meer uiteendrijving van de voeding- en afvalstoffen