G&W – Jaar 1 – Periode 1
Ecologie: wisselwerking tussen organismen voedselkringloop
Gedrag: alle zichtbare activiteiten die een dier uitvoert
Ontstaan door reactie op prikkels
Uitwendige prikkels: uit omgeving d.m.v. zintuigen
Inwendige prikkels: uit lichaam dier zelf = Fysiologische motivatie
Sleutelprikkel: prikkels die daadwerkelijk gedrag uitlokken
Supranormale prikkel: lokken overdreven gedrag uit
Drempelwaarde: grens die bereikt moet worden voordat het dier op de prikkel
reageert
Verschilt per dier = individuele variatie
3 soorten gedrag;
Instinctief gedrag = aangeboren gedrag
Ervarings-gedrag = aangeleerd gedrag
Getraind gedrag = geschoold gedrag
Doelen van gedrag: aanpassen aan de omgeving;
Overleven als individu
Populatie behouden
Soort behouden (soort = vruchtbare nakomelingen krijgen)
De verschillende soorten gedragingen:
Foerageergedrag: voedsel zoeken
Vluchtgedrag
Verdedigingsgedrag
Sociaal gedrag: gedrag van soortgenoten naar elkaar
Territoriaal gedrag: verdedigen van leefgebied
Voortplantingsgedrag
Comfortgedrag: vertoond een dier om zich prettig te voelen
Rustgedrag
Maternaal gedrag: van moederdier naar jongen
o Nestvlieders: voor zichzelf zorgen na geboorte
o Nestblijvers: krijgen zorg van ouder(s)
Exploratiegedrag: onderzoeken van leefomgeving
De verschillende samenlevingsvormen:
Solitair
Paarvorming
Gezinsvorming: ouders blijven samen tot jongen groot zijn
Monogame gezinsvorming: gezin blijft samenleven, jongen ervan
blijven ook in gezinsverband leven als ze volwassen zijn
Harem: 1 dominant mannetje + meerdere vrouwen en hun jongen
Matriarchale orde: 1 dominant vrouwtje + groep vrouwen en hun jongen
Patriarchale orde: 1 dominant mannetje + groep mannen en vrouwen
Kolonie: groep soortgenoten leven samen en zijn aan 1 locatie gebonden
DVstudent – 2024
Ecologie: wisselwerking tussen organismen voedselkringloop
Gedrag: alle zichtbare activiteiten die een dier uitvoert
Ontstaan door reactie op prikkels
Uitwendige prikkels: uit omgeving d.m.v. zintuigen
Inwendige prikkels: uit lichaam dier zelf = Fysiologische motivatie
Sleutelprikkel: prikkels die daadwerkelijk gedrag uitlokken
Supranormale prikkel: lokken overdreven gedrag uit
Drempelwaarde: grens die bereikt moet worden voordat het dier op de prikkel
reageert
Verschilt per dier = individuele variatie
3 soorten gedrag;
Instinctief gedrag = aangeboren gedrag
Ervarings-gedrag = aangeleerd gedrag
Getraind gedrag = geschoold gedrag
Doelen van gedrag: aanpassen aan de omgeving;
Overleven als individu
Populatie behouden
Soort behouden (soort = vruchtbare nakomelingen krijgen)
De verschillende soorten gedragingen:
Foerageergedrag: voedsel zoeken
Vluchtgedrag
Verdedigingsgedrag
Sociaal gedrag: gedrag van soortgenoten naar elkaar
Territoriaal gedrag: verdedigen van leefgebied
Voortplantingsgedrag
Comfortgedrag: vertoond een dier om zich prettig te voelen
Rustgedrag
Maternaal gedrag: van moederdier naar jongen
o Nestvlieders: voor zichzelf zorgen na geboorte
o Nestblijvers: krijgen zorg van ouder(s)
Exploratiegedrag: onderzoeken van leefomgeving
De verschillende samenlevingsvormen:
Solitair
Paarvorming
Gezinsvorming: ouders blijven samen tot jongen groot zijn
Monogame gezinsvorming: gezin blijft samenleven, jongen ervan
blijven ook in gezinsverband leven als ze volwassen zijn
Harem: 1 dominant mannetje + meerdere vrouwen en hun jongen
Matriarchale orde: 1 dominant vrouwtje + groep vrouwen en hun jongen
Patriarchale orde: 1 dominant mannetje + groep mannen en vrouwen
Kolonie: groep soortgenoten leven samen en zijn aan 1 locatie gebonden
DVstudent – 2024