Inhoud
Les 1, Virale infecties ............................................................................................................................... 2
Les 2, Virusdetectie en diagnostiek ....................................................................................................... 15
Les 3, Antivirale therapie en resistentie ................................................................................................ 22
Les 4, Herpesvirussen en resistentie ..................................................................................................... 27
Les 5, Hepatitisvirussen en persistentie ................................................................................................ 33
Les 6, Respiratoire virussen & acute infectie ........................................................................................ 39
1
,Les 1, Virale infecties
De eigenschappen/definitie van virussen.
Wat kan een virus niet:
- Overleven buiten een gastheer.
- Repliceren.
- Energie produceren.
Wat is een virus: Een obligaat intracellulaire ‘’parasiet’’ die de machinerie van een gastheer gebruikt
om te repliceren. De kern van een virus bestaat uit RNA of DNA, omhuld door een eiwitcapside; dit
nucleocapside kan eventueel omhuld zijn door een envelop.
Naakte virussen: Capside (eiwitmantel) beschermt het nucleïnezuur van het virus.
Enveloped virussen: Het nucleïnezuur en capside wordt omgeven door een lipide
membraan/envelop.
De overdracht van virussen en de bijbehorende eigenschappen.
Factoren bepalend voor pathogenese:
- Eigenschappen van het virus:
o Virulentie; cytopathologische activiteit.
o Virale dosis.
- Gastheer – lokalisatie van de infectie:
o Toegang tot target tissue.
o Cel/weefsel tropisme (receptoren).
o Permissieve cellen (replicatie minder toestaan).
- Immuunsysteem:
o Competentie van het afweermechanisme.
o Immuniteit.
o Genetische factoren.
De interacties van virussen met de mens welke leiden tot verschillende type infecties zoals lokale,
systemische en congenitale met de bijbehorende voorbeelden.
Lokale en gegeneraliseerde infecties:
Locatie van het vrijkomen van virussen bepaalt verloop van infectie. Bij een oppervlakkige infectie
kunnen m.o.’s zich niet verspreiden naar diepere weefsels. Bij een invasie in diepere weefsels kunnen
m.o.’s zich verspreiden naar lymfe en bloed.
2
,Voorbeelden oppervlakkige:
- Verkoudheid
- Gonorroea
- Bacillary dysentery
Voorbeelden systemisch:
- Mazelen
Lokalisatie van virusinfecties: virussen kunnen zich hier vermenigvuldigen:
- Luchtwegen.
- Gastro-enteraal.
- Centraal zenuwstelsel.
- Huid en slijmvliezen.
- Organen en weefsels.
Virus – cel interacties: 4 dingen die kunnen gebeuren met een cel.
- Transformatie van normale naar tumor cellen.
- Lytische infectie komt veel voor. = cel lysis
- Persistente infectie (langzaam vrijkomen van virussen).
3
, - Latente infectie.
Mechanismen van virussen om het immuunsysteem te ontwijken:
- Latente infecties.
- Antigene variatie.
o HIV.
- Productie van eiwitten met immuno-modulerende eigenschappen.
- Blokkeren van activiteit van interferon en NK-cellen.
- Verminderde antigeenpresentatie.
Mimicry van gastheerantigenen (Fc receptoren): Virus maakt vergelijkbare antistoffen als antigeen,
zodat het immuunsysteem het niet kan herkennen.
4