Hoofdstuk 1:
Intermoleculaire interacties:
- H-bruggen:
Grote ENW v O2 ---> zuigt gemeenschappelijk e- paar nr zich in covalente binding = polaire structuur =
dipoolmoment ---> O2 = - en H= + ---> H-atomen = oriënteren tov elkaar ---> vrije e- paar v O = nr H-atoom v
naburige molecule draaien = H-brug
---> kan ook gevormd worden H en hydrofiele groepen
- Ionaire binding =
ΔENW = groot ---> anion = - gelande groep + kation = + geladen groep ontstaan ---> in elkaars buurt =
aantrekkingskracht = weergegeven dr diëlektriciteitsconstante D
- Van-der-waals-interactie =
2 niet-polaire moleculen = dipool ---> zwakke interactie ---> perfecte afstand voor deze interactie = Van-der-
Waals-radius
- Hydrofobe effect =
Hydrofobe molecule oplossen in water = E-ongunstig ---> waternetwerk structuur = verstrooid ---> moleculen
met elkaar associëren = totale hydrofobe opp w kleiner
---> 2 moleculen kunnen interageren als:
- Opp complementair zijn
- Gepaste zwakke interacties kunnen doorgaan (bv dr ladigen) ---> E gunstig
Hoofdstuk 2
Lipiden =
- Hydrofoob
- Hydrofiel deeltje
- Brandstof + signaalmoleculen + onderdeel biologische membranen
1. Fosfolipiden
- glycerol ruggengraat
---> OH groep C1 en C2 = veresterd met 1 vetzuurketen
---> C3 = fosfaatgroep = veresterd tot primair alcohol + onvertakt
- 4 verschillende substituenten
- C2 = chiraal centrum
- Natuurlijke vorm = L
- Dubbel binding = verzadigd + enkelvoudige = niet-verzadigd
---> meestal 1 vd 2 verzadigd
- Lyso = slechts 1 vetzuur voorkomen (ipv 2) ---> bv LPA = mitogen
dat borsttumorgroei stimuleert
1
,Belangrijke fosfolipiden =
Palmitinezuur C16
Stearinezuur C18
Oleïnezuur C18 ---> verzadigd (knikje)
Linolinezuur C18
Arachidonzuur C20 ---> basis voor eicosanoïden (pprostagladines + thromboxanen) --->
onverzadigde vetzuren met 20 C’s
Fosfatinezuur = fosfaatgroep ≠ verder veresterd ---> niet vaak voorkomen in membraan
Difosfatidylglycerol Fosfaten = veresterd via additionele glycerolgroep ---> autofagie
Fosfaat groep =
Draagt meestal bijkomende substituenten = prolyfosfositiden
- Ethanolamine
- Choline = interageren met membraanproteïnen = PPI eiwit + rol v
- Serine secundaire boodschapper ---> lading = neutraal of 1+ negatieve
- Inositol ladingen
Dierlijke membranen =
- Kleine hoeveelheid glycerofosolipidevarianten = etherbinding (ipv ester)
- Sfingomyeline =
Fosfolinegroep veresterd met singosine via amidebinding die variabele zuurketen draagt + fosfocholine =
polaire groep
---> singosine + 2e verzadigd vetzuur = ceramide
2. Glycolipiden
= afgeleid van sfingosine
---> planten + bacteriën = basis v diaglycerol = suikergroep ipv fosfocholinegroep
---> mensen = 3 groepen:
Cerebrosiden = eenvoudigst ---> korte onvertakte suikerketen ---> 1 e = glucose + overige = galactose/
N-acetylgalactosamine
Vertakte + lange + neutrale suikerketens
Gangliosiden = complexe suikerketens met – geladen N-acetylneuraminezuur = siaalzuur
---> suiker = bepalend voor bloedgroep
Suikergroepen + derivaten in glycolipiden =
2
, - Galactose
- N-acetylgalactosamine ---> galNac = galactose verbonden met amine + vetzuur
- N-acetylneuraminezuur = NANA
Ziekte v Tay-Sach =
= verstoorde afbraak v sfingolipiden = lysosomal storage diseases ---> geen β-hexoseaminidase A-enzym = geen
afbraak Tay Sachs-ganglioside ---> verhoogde hoeveelheid ---> sterfte op 3-4 jarige leeftijd
---> andere ziektes =
- Gaucher ---> glucocerebroside accumuleren
- Krabbe ---> galactocerebroside accumuleren Mentale retardatie + vroegtijdige dood
- Neuman-Pick ---> sfingomyeline accumuleren
---> turn-over moleculen =
Moleculen w gemaakt + voeren functie uit ---> daarna moeten ze w afgebroken ---> anders te schadelijk
3. Cholesterol
= typisch voor dierlijke systemen --->
- onveresterd
- neutraal
- in membraan
- hydroxylgroep ---> polair gedeelte vormen
- relatief vlakke molecule ---> dr stoelconfiguratie v individuele ringen + transfusie naburige ringen
- ringsysteem = erg stabiel - kan open gaan dr UV
dubbellagen dr fosfolipiden =
membraanlipiden = allemaal amfipatische moleculen ---> hydrofiele kop + hydrofobe staart ===> samenklitten dr
hydrofoob effect ---> polaire groepen nr water
---> coöperatie tussen:
- hydrofobe interacties ---> acylketen Hierdoor gaan moleculen samenklitten ---> 2 manieren =
- van-der-Waals-bindingen - Micellen ---> enkel experimenteel = uit 1 soort lipiden
- H-brugvorming - Lipidedubbellaag ---> kan vesikels + liposomen + vlakke
- Electrostatische krachten structuur vormen
---> gelaagdheid vormt fysische barrière = kleine
permeabiliteit
Artificiële membranen =
Liposomen = artificieel maken + opladen met ionen ---> in water brengen + meten hoe snel ionen uit liposoom
verdwijnen ---> permeabiliteit dubbellaag voor verschillende componenten bepalen ---> = weinig permeabel voor
ionen + polaire moleculen
Doorkruisen membraan = verschillende fases:
1. Afscheiden H2O-solvatiemateriaal
3