Corporate Governance & Corporate Litigation
College 16 – Enquêterecht (formele en materiële
aspecten)
Literatuur & jurisprudentie
Van de BV en de NV – nummers 116-123 van H12
116 Enquête, inleiding
De geschillenregeling kan ertoe bijdragen dat ruzies tussen aandeelhouders
onderling worden opgelost. Geheel los daarvan staat het enquêterecht: kan
worden ingezet wanneer er gegronde redenen zijn (art. 2:350 BW) om aan een
juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het richt zich dus primair op
gedragingen van het bestuur en de RvC maar ook het beleid van de AVA of van
een ander orgaan kan voorwerp van onderzoek zijn. Aandeelhouders, de
vennootschap zelf, degene aan wie het bij statuten/overeenkomst is toegekend,
vakorganisaties en de AG om redenen van openbaar belang kunnen een enquête
uitlokken. Gedachte hierachter is dat een vennootschap niet enkel een
instrument is in handen van aandeelhouders, maar een maatschappelijk
instituut waarin een veelheid van belangen samenkomt. De procedure wordt
door aandeelhouders zeer veel gebruikt, vakorganisaties en de AG maken zelden
gebruik van dit recht.
Enquêterecht regeling is behalve op de NV en BV ook van toepassing op de
coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, het EESV, de SE met zetel in
Nederland, de Europese Coöperatieve vennootschap en de stichting en
vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming in stand
houden waarvoor een OR moet worden ingesteld krachtens wettelijke
verplichtingen.
Tot het gelasten van een enquête is enkel de OK van het gerechtshof Amsterdam
bevoegd, art. 2:345 BW. De derde titel van Rv is op deze procedure van
toepassing. De Wet Wijziging Enquêterecht (2012) heeft met ingang van 1
januari 2013 tot een aantal belangrijke (met name processuele) verbeteringen
en verduidelijkingen in het enquêterecht geleid.
117 Enquêteverzoek
Tot het indienen van een verzoekschrift om een enquête te gelasten bij een BV
of NV zijn bevoegd, art. 2:345-347 BW:
a) Art. 2:346 lid 1 sub c BW: indien het betreft een BV of NV met een
geplaatst kapitaal van maximaal € 22,5 miljoen: houders van
aandelen of certificaten van aandelen, die samen ten minste één tiende
van het geplaatste kapitaal of € 225 000 nominaal vertegenwoordigen (let
hierbij op art. 2:24d BW). Er zijn dus twee, alternatieve benedengrenzen.
● Certificaathouders zijn gelijkberechtigd. Het is onverschillig of de
certificaten met of zonder medewerking van de vennootschap zijn
uitgegeven (bij de NV) of gekoppeld zijn aan vergaderrecht (bij de
BV). Onverschillig is ook of de aandelen aan toonder of op naam
luiden;
b) Art. 2:346 lid 1 sub b BW: indien het betreft een BV of NV met een
geplaatst kapitaal van meer dan € 22,5 miljoen: houders van
aandelen of certificaten van aandelen, die samen ten minste 1% van het
geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.
● Gaat het om een beursvennootschap dan is een pakket ter waarde
van minimaal € 20 miljoen voldoende (indien de 1%-grens niet is
gehaald);
1