Verpleegkunde jaar 1 voltijd
2019/2020
, Bijeenkomst 1
De student kan:
1. De onderdelen van het urinaire stelsel benoemen en de drie belangrijkste functies
van het stelsel beschrijven.
Het urinaire stelsel heeft drie belangrijke functies:
- Excretie
o Verwijdering van organische afvalstoffen uit lichaamsvloeistoffen
- Eliminatie
o Lozing van de afvalstoffen naar buiten
- Homeostatische regeling van het volume en de concentratie opgeloste stoffen in
het bloedplasma
Zoals het woord stelsel al doet vermoeden, zijn er
Figuur 1 Onderdelen van het urinaire stelsel
diverse onderdelen die met elkaar samenwerken.
Het urinewegstelsel bestaat uit:
- Nieren
o Zorgt voor de uitscheidingsfuncties
o Vorming van urine
Urine bestaat uit water, ionen en kleine opgeloste stoffen
- Ureter
o Vervoeren van urine vanuit de nieren naar de vesica urinae
- Vesica urinae (blaas)
o Tijdelijke opslag van urine voordat het wordt verwijderd
- Urethra
o Het lozen van urine naar buiten
Mictie het lozen van de urine naar buiten.
,De belangrijke homeostatische functies van het urinaire stelsel zijn:
- Regulatie van het bloedvolume en de bloeddruk
o Volume van water dat met de urine meegaat aanpassen of door de afgifte
van epo en renine
- Regulatie van de ionenconcentratie (vooral Natrium, Kalium en Chloride)
o Regelen hoeveel ionen er verloren gaan met de urine. Concentratie
calcium wordt gereguleerd door calcitrol te vormen.
- Bijdrage aan de pH stabilisatie van het bloed
o Verlies van H+ ionen en bicarbonaationen (HCO3- ) in de urine regelen
- Behoud van waardevolle voedingsstoffen
o Voorkomen dat bijvoorbeeld glucose en aminozuren worden
uitgescheiden. Organische afvalstoffen worden juist wel uitgescheiden
(ureum en urinezuur)
2. De plaats en structurele kenmerken van de nieren beschrijven, de weg van het
bloed volgen naar de nier, in en uit een nier en de structuur van een nefron
beschrijven.
Ligging van de nieren
- Aan weerzijden van de wervelkolom tussen de laatste borstwervel en de derde
lendenwervel.
- Rechternier vaak iets lager dan de linkernier. Liggen beiden retroperitoneaal.
- Worden op hun plaats gehouden door
o Het bovengelegen peritoneum
o Contact met aangrenzende organen
o Ondersteunende bindweefsels
Ze zijn verankerd aan de andere weefsels door een nierkapsel en
verpakt door vetweefsel. Samen met de collagene vezels die uit de
nieren komen, zorgt dit ervoor dat de nieren op hun plaats blijven
tijdens onverwachte bewegingen
- Wandelende nier de nieren raken van hun plaats en beschadigen hiermee de
vastzittende bloedvaten en de ureter. Erg gevaarlijk, omdat ze kunnen draaien of
geknikt kunnen raken
,-
Figuur 2 de ligging van de nieren
Anatomie van de nieren
Een gemiddelde volwassen nier is roodbruin en ongeveer 10 cm lang. Een instulping
geeft de boonachtige vorm aan de nier. Deze instulping heet de nierpoort, dit is de
plaats waar de ureter en de vena renalis uittreden en de arterie renalis en de plexus
renalis binnenkomen. Het nierkapsel bedekt het oppervlak en omgeeft de renale
sinus. Dit is een interne holte. Het vezelig kapsel omgeeft de buitenkant van de nier
en bekleedt deze sinus.
De nier bestaat uit een buitenste cortex (nierschors) en een binnenste medulla
(niermerg). Het merg bestaat uit 6-18 nierpiramiden. Het uiteinde van elke piramide
(nierpapil) steekt uit in de renale sinus. Tussen de nierpiramiden lopen banden van
schorsweefsel (columnae renales) door naar de renale sinus.
1 nierlob bestaat uit een nierpiramide, het omhullende laagje cortex en de
nabijgelegen weefsels van de columnae.
Urine wordt gevormd in de nierpiramiden en in de bovenste delen van de nierschors,
in de nefronen. Elke nier heeft ongeveer 1,25 miljoen nefronen.
Binnen elke nierpapil wordt de urine via buizen afgevoerd naar een komvormige
, holte (calix minor). 4/5 van deze calices vormen samen 2/3 calices majores. Deze
vormen samen het nierbekken. Dit bekken is verbonden met de ureters.
Figuur 3 . A. schematische weergave van een frontaal doorgesneden linkernier.
B. frontale doorsnede linkernier
C. ligging en bouw van een nefron
Bloedtoevoer naar de nieren
Nieren ontvangen ongeveer 20-25% van het totale hartminuutvolume. Bij een gezond
persoon is dit ongeveer 1200 ml per minuut.
Beide nieren krijgen bloed toegevoerd door een nierslagader (a. renalis). Wanneer de
nierarteriën de renale sinus binnenkomen, verdelen ze zich in takken die een reeks
interlobaire arteriën van bloed voorzien. Deze lopen tussen de nierpiramiden naar
buiten. Ze monden uit in de aa. Arcuatae, deze lopen in het grensgebied tussen de
cortex en medulla. Uit elke van deze kleine slagaders ontspringt een aantal
interlobulaire arteriën die de cortex van bloed voorzien.
Bloed bereikt de nefronen door een afferente arteriole en stroomt weg via een
efferente arteriole. Daarna stroomt het naar een capillairnet rond de nierbuisjes. Dit
heet het peritubulaire capillairnet. De peritubulaire capillairen bieden een route voor
het opnemen of afgeven van stoffen die door dit gedeelte van het nefron worden
afgegeven of gereabsorbeerd.
, De route van het bloed
vanuit deze capillairen
hangt af van de ligging
van het nefron. Je hebt
corticale nefronen en
juxtamedullaire
nefronen. De corticale
zijn vooral in de cortex.
De juxtamedullaire vooral
bij de medulla. De
juxtamedullaire nefronen
zijn nodig om
geconcentreerde urine te
maken.
Een netwerk van venulen
en venen komt samen in
de interlobaire venen. Ze
blijven zich samenvoegen
en monden uiteindelijk
uit in de venae arcuatae
en via de interlobaire
venen in de vv. renalis of
niervenen.
Figuur 4.
A. Doorsnede nier met belangrijkste arteriën en venen
B. Circulatie in de cortex
C. circulatie naar een nefron in de cortex
D. circulatie naar een juxtamedullaire nefron
Het nefron
Elk nefron bestaat uit 2 delen:
- Een nierlichaampje
o Ronde structuur met daarin
Kapsel van Bowman
Buitenste wand nierlichaam
Glomerulus
Glomerulusmembraan vormt de wand van het kapsel.
Loopt door in een epitheel dat de capillairen van de
glomerulus omgeeft.
Twee epitheellagen zijn gescheiden door de kapselholte,
hier komt de voorurine in