Financiën
,Lecture 0: Beginselen van de macro- en de micro-
economie
Macro-economie = beschrijft de samenhang tussen variabelen op
nationaal niveau maakt inzichtelijk hoe overheidsfinanciën worden
beïnvloed door het verloop van de economie die wordt weer sterk door
het buitenland bepaald.
- Het is een economische
kringloop:
o Y = inkomen
o C = consumptie
o S = sparen
o I = investeren
o En bedrijven die
produceren weer
- Alles hangt met elkaar samen
productie = inkomen =
bestedingen
BBP = datgene wat we allemaal in Nederland produceren. BNP = wat de
ingezetene van Nederland produceren (dus ook Nederlanders die in het
buitenland wonen worden in het BNP meegenomen). Een indicator van de
materiële welvaart van een land.
- Groei van BBP is niet economische groei want moet nog
gecorrigeerd worden voor inflatie.
o BBP groeit in een jaar met 5%
o Prijzen stijgen met 2%
o Economische groei is de groei van het volume van het BBP
3%
- BBP meet niet alles:
o Niet huishoudelijk werk
o Niet aantasting milieu
o Niet klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit
o Niet inkomens- en vermogensverdeling.
o Niet absoluut en relatief inkomen
BBP meet nationaal inkomen basis heffing van belastingen en sociale
premies die zijn weer nodig om collectieve goederen te financieren,
zoals:
- Gezondheidszorg
- Pensioenen voor ouderen
- Infrastructuur
- Binnen- en buitenlandse veiligheid
Productiefunctie de productie in een land komt tot stand met behulp
van de inzet van productiefactoren:
- Land
- Arbeid
- Kapitaal
2
, -Technologie veruit belangrijkste oorzaak van economische groei
arbeidsbesparende technologische vooruitgang.
Economische groei treedt op wanneer:
- Een of meerdere productiefactoren in aantal groeien, of
- Een of meerdere productiefactoren productiever worden, of
- Beide.
Maynard Keynes model van de effectieve vraag de vraag naar
goederen en diensten bepaalt hoeveel er wordt geproduceerd macro-
economie.
- C+I+G+X-M:
o Particuliere Consumptie
o BedrijfsInvesteringen
o Overheidsconsumptie (Governmentconsumption)
o Export naar andere landen
o Import vanuit andere landen.
- Lagere economische groei wanneer:
o Particulieren minder gaan consumeren onzekerheid
o Bedrijven minder gaan investeren dreiging recessie
o Export terugvalt groei van de wereldhandel vertraagt
vanwege diplomatieke spanningen tussen landen.
- Gevolg van lagere economische groei:
o Productie, het nationaal inkomen en de bestedingen groeien
minder hard
o Werknemers worden de laan uitgestuurd en de werkeloosheid
neemt toe
o De overheid ontvangt minder belasting- en premieopbrengsten
dan verwacht en het financieringstekort loopt op.
- Volgens hem moet de overheid actief ingrijpen in een periode zoals
de Grote Depressie:
o Overheidsuitgaven verhogen hogere effectieve vraag
resulteert in een hogere productie.
o Belastingen en premies verlagen hogere consumptie brengt
de effectieve vraag omhoog.
o Rente verlagen meer consumptie en meer investeringen
brengen de effectieve vraag omhoog.
Stabilisatiefunctie van de overheid:
1. Procyclisch beleid
o Tijdens laagconjunctuur: verlaag de overheidsuitgaven,
verhoog belastingen en premies en voer een ruim monetair
beleid (lage rente).
o Tijdens hoogconjunctuur: verhoog de overheidsuitgaven,
verlaag belastingen en premies en voer een krap monetair
beleid (hoge rente).
2. Anticyclisch beleid
o Tijdens laagconjunctuur: uitgaven verhogen en belastingen verlagen
3
, o Tijdens hoogconjunctuur: uitgaven verlagen en belastingen verhogen
buffers creëren vraag afremmen
Micro-economie (de markt) = beschrijft het gedrag van mensen
maakt inzichtelijk hoe mensen kunnen reageren op beleid of
beleidsaanpassingen virtuele plek waar vraag en
aanbod elkaar ontmoeten.
- Optimaal overheidsbeleid pareto-optimaal:
niemand kan erop vooruitgaan zonder dat
iemand anders erop achteruitgaat.
- Als de markt goed functioneert is er geen
goede reden voor ingrijpen door de overheid.
- Consumentensurplus = het verschil tussen het nut dat
consumenten ontlenen aan de
geconsumeerde producten en de prijs die ze
ervoor moeten betalen.
- Producentensurplus = het verschil tussen
de prijs die ondernemers voor hun product
ontvangen en de kosten die ze moeten maken
om het product te maken.
Elasticiteit = procentuele verandering van
belastingopbrengsten bij één product verandering van
het tarief.
Markten werken in de regel goed, maar er kan sprake zijn van
marktfalen:
- Externe effecten en interne effecten
- Publieke goederen
- Adverse selectie op verzekeringsmarkten
- Monopolievorming
Wel reden tot overheidsingrijpen
4