gedragswetenschappen
DOELSTELLINGEN
BONDIGE stoomcursus inleidende statistiek als voorbereiding op Statistiek voor de
Gedragswetenschappen 2
Basisbegrippen uit beschrijvende statistiek
Inleiding tot kansrekening
Inleiding tot inferentie
Doelgroep= Schakelprogramma en verkorte studieduur
Organisatie:
Lessen theorie en oefeningen (zie uurrooster)
PointCarré (kijk ook naar Statistiek 1 !!!)
WPO (Werkcollege en Praktische Oefeningen)
Oefeningen met de assistent (Jennifer De Cremer)
Handboeken: “Statistiek in de Praktijk” Theorieboek + Opgavenboek (korting in VUBtiek)
Examen:
Schriftelijk examen op het einde van het eerste semester (100%),
Geen praktische proef over vaardigheid met statistische software (MAAR software
examen WEL bij Statistiek voor de Gedragswetenschappen 2)
! Formularium (Pointcarré) formules die niet vanbuiten te kennen zijn krijg je ook op
examen
Een (fictief) voorbeeld ...
... Vlaamse en anderstalige kinderen en wiskunde
Behaalde scores :
Vlaamse kinderen:
28 38 42 42 46 39 45 62 34 40 44 62 58 44 49 37 37 77 32 34 50 40 44 51 55 50 53 72
55 47 75 62 48 34 11 52 44 59 40 63
Anderstalige kinderen:
45 56 49 36 43 55 59 39 49 42 44 46 62 36 60 57 55 47 33 42 43 59 51 57 53 66 37 50
58 55 44 58 44 38 48 50
Is er een verschil ? 2 stellingen:
Anderstalige kinderen compenseren
Taalvoordeel speelt ook in niet-talige domeinen
Gemiddelde scores
Vlaams: 47,38
Anders: 49,06
Anderstalige kinderen behaalden gemiddeld hogere scores voor wiskunde (verschil =
1,68) dus mogelijk is er sprake van “compenseren”? gaan zij compenseren door beter
te presteren voor wiskunde?
1
,Frequentietabellen:
haakjes geven aan of getal nog in het interval zit of niet
Histogrammen:
minder inter-individuele verschillen rechts
2 Histogrammen over elkaar:
2
, mediaan = dikke zwarte streep
11 = uitschieter = °
strepen aan uiteindes zijn maximum en minimum
interkwartiel = rond streep van de mediaan
Onderzoeksvraag: scoren anderstalige kinderen in het algemeen hoger op wiskunde?
Om dit te onderzoeken keren we nu de redenering om:
STEL dat er in het algemeen geen verschil zou zijn tussen Vlaamse en anderstalige
kinderen voor wiskunde, hoe groot is dan de kans (p-waarde) dat ik in een onderzoek
(zoals hiervoor) een verschil zou vinden dat minstens even groot is als het verschil
dat we hiervoor vonden ... ?
Simulatie…
Op basis van gemiddelde en standaardafwijking voor ALLE kinderen (Vlaams en
anderstalig) trekken we op toevallige wijze telkens scores voor 40 “Vlaamse” en 36
“anderstalige” kinderen.
We berekenen voor beide groepen het gemiddelde
We berekenen het verschil tussen de 2 gemiddelden en registreren dit verschil als
“het resultaat” van 1 simulatie.
dit wordt nu HEEL vaak herhaald ...
voor de bekomen resultaten tekenen we nu het HISTOGRAM VAN HET VERSCHIL
IN GEMIDDELDEN TUSSEN BEIDE GROEPEN
steeds verschillende steekproeven dus ook verschillende verschillen van die
verschillende verschillen gaan we een histogram maken
3
, Simulatie van 10 000 onderzoeken: waargenomen verschil tussen groepsgemiddelden voor
10 000 replicatiestudies:
vb. van de 10 000 steekproeven waren er 1556 waar het verschil tussen de gemiddelden
0 was
gaan kijken naar de oppervlakte van het rechtse stuk t.o.v. het geheel
een verschil van nog geen 2 punten zoals hier (1,68) kunnen we perfect verklaren door
toeval!
dingen die in <5% van de gevallen voorkomen waar toeval speelt = significant!
Vb. verschil van 10 punten tussen de 2 groepen ≠ toeval als het te ver van de verdeling af
ligt
95% betrouwbaarheidsinterval:
= een omgeving rondom het resultaat van 1 replicatie zodat in 95% van de replicaties een
interval wordt gevonden dat de echte populatiewaarde van de onderzochte variabele (het
resultaat op populatie niveau) bevat
5% staarten afknippen bij het beoordelen van een staafdiagram = alfa
Basisbegrippen beschrijvende statistiek:
mediaan = Md = gemiddelde van middelste 1 of 2 geordende waarnemingen
4