Leerboek psychiatrie, unipolaire stemmingsstoornissen (Hengeveld, 2009
We noemen een sombere stemming pathologisch als de intensiteit en de duur net in verhouding staan
tot de aanleiding. In dat geval is de verdrietige/sombere stemming een symptoom dat in combinatie
met een aantal andere symptomen tot een syndroom, een depressieve episode wordt.
Een belangrijk onderscheid binnen de stemmingsstoornissen is een unipolaire stoornis en een bipolaire
stoornis, waarbij er bij de laatste zowel depressieve als manische episoden voorkomen en bij een
unipolaire stoornis enkel depressieve. Naast unipolaire depressie en bipolaire stoornis type I en II
behoren ook de diagnoses dysthyme stoornis, cyclothyme stoornis, stemmingsstoornis door een
somatische aandoening en stemmingsstoornis door een middel onder de classificatie van
stemmingsstoornissen.
De unipolaire depressie wordt gekarakteriseerd door het optreden van een of meer depressieve
episoden. Bij het klinisch beeld valt op dat de affectieve symptomen centraal staan. Daarnaast komen
ook somatische, cognitieve en conatieve (gedrag) symptomen voor. Onder affectieve symptomen
verstaat men somberheid en een verlies van interesse of plezier in dagelijkse bezigheiden
(anhedonie). Van deze twee moet er minimaal een aanwezig zijn om de diagnose te kunnen stellen.
Een depressie gaat vaak gepaard met lichamelijke klachten, zoals moeheid, slaapstoornissen en
eetlustvermindering. Cognitieve symptomen liggen vooral op het gebied van concentratie, het
geheugen, het oordeelsvermogen en de vorm en inhoud van het denken. De patiënt is bijvoorbeeld
gepreoccupeerd met het idee waardeloos te zijn. Een bijzondere vorm is de psychotische depressie,
waarbij de patiënt het contact met de realiteit kwijtraakt en de inhoud van het denken bepaald wordt
door stemmingscongruente wanen. Conatieve symptomen zijn bij lichte depressieve symptomen niet
altijd even duidelijk aanwezig, maar bij matige tot ernstige depressie komen ze vaak voor. Zowel de
psychomotoriek als de motivatie en het gedrag veranderen bij een depressie, zoals toegenomen
agitatie en vermindering van psychomotorische activiteiten.
De dysthieme stoornis kenmerkt zicht door grotendeels dezelfde affectieve, somatische, cognitieve
en conatieve symptomen, maar minder in aantal. Er is sprake van een dysthyme stoornis als de
depressieve stemming lang duurt (min. twee jaar) en als er gedurende deze periode nooit sprake is
geweest van een depressieve stoornis. De stoornis kan dus gezien worden als een langdurig bestaande
lichte depressie.
Diagnostiek
De diagnose van een depressieve of dysthyme stoornis berust op de anamnese en psychiatrisch
onderzoek. Bij matige en ernstige depressie valt in het eerste contact vaak de slechte uiterlijke
verzorging op. Bij de huisarts zullen depressieve patiënten zich nogal eens presenteren met zorgen
over niet specifieke en lichamelijke klachten zonder dat er direct psychiatrische klachten worden geuit.
Wanneer er bij een patiënt sprake is van een depressieve episode wordt aan de hand van het
ziektebeloop onderzocht van welk type depressieve stoornis er sprake is. Men onderscheid een
eenmalige en recidiverende depressieve stoornis. Bij een recidiverende stoornis wordt nagegaan of de
patiënt tussen de verschillende episodes volledig herstelde of dat er nog restsymptomen bleven
bestaan. Wanneer depressieve klachten zijn begonnen in het kraambed wordt er gesproken van een
depressieve stoornis met postpartumbegin. Een specifiek beloop dat gekenmerkt wordt door een
verergering in de winter/herfst wordt een depressieve stoornis met seizoensgebonden patroon
genoemd. Voordat de diagnose unipolaire depressie of dysthyme stoornis gesteld kan worden moet
worden uitgesloten dat de klachten veroorzaakt worden door een somatische aandoening of door een
middel. Daarna controleert men of de criteria voor een depressieve episode aanwezig zijn en
vervolgens kan de ernst ervan bepaald worden aan de hand van de mate waarin de klachten
beperkend zijn voor het functioneren en de hoeveelheid symptomen die aanwezig zijn. Hierbij kunnen
vragenlijsten zoals de BDI gebruikt worden.
Differentiële diagnose
Naast de differentiële diagnose waarbij een stemmingsstoornis veroorzaakt wordt door een somatische
aandoening of door een middel zijn er een aantal andere psychiatrische stoornissen van belang die
verward kunnen worden met een stemmingsstoornis. Lichte depressieve stoornissen zijn soms moeilijk
te onderscheiden van angststoornissen. De juiste diagnose hangt af van het vaststellen van de
relatieve ernst van angst versus depressie en van de volgorde in tijd waarin de symptomen verschenen
zijn. Daarnaast kan een diagnose moeilijk te stellen zijn wanneer een patiënt zowel depressieve
symptomen als wanen heeft, wat kan duiden op schizofrenie. Het onderscheid kan meestal gemaakt
worden door vast te stellen of de wanen ontstonden na de depressieve symptomen of andersom en of
de wanen stemmingscongruent zijn. Op oudere leeftijd kan depressie lastig te onderscheiden zijn van
1
,dementie, omdat sommige depressieve patiënten klagen over vergeetachtigheid en omdat veel
demente patiënten depressief zijn. Soms is een proefbehandeling met een antidepressivum de enige
wijze om erachter te komen of er sprake is van een depressieve stoornis. De door depressie
aangescherpte premorbide persoonlijkheidskenmerken kunnen soms zo sterk de symptomatologie
overheersen dat de diagnose depressie gemist wordt en ten onrechte de diagnose
persoonlijkheidsstoornis gesteld wordt. Na behandeling van de depressie verdwijnt deze
‘persoonlijkheidsproblematiek’ weer. Omgekeerd komen depressieve klachten voor bij een
persoonlijkheidsstoornis zonder dat voldaan wordt aan de criteria van een depressieve stoornis.
Epidemiologie
De lifetime prevalentie van de depressieve stoornis is 15% en die van een dysthyme stoornis is 6%.
Bij vrouwen komt de depressieve stoornis ongeveer tweemaal zo vaak voor als bij mannen. De
depressieve stoornis kan op elke leeftijd beginnen, maar ongeveer 40% heeft de eerste episode tussen
het 15e en 35e levensjaar, waarna de kans op een eerste episode geleidelijk daalt. De symptomen
ontstaan in de loop van dagen of weken en er kunnen weken of maanden voorafgaan aan de volledige
depressieve episode. De duur van een depressieve episode is variabel. Mensen met een dysthyme
stoornis lopen een verhoogd risico op het ontwikkelen van een volledige depressieve stoornis; van de
patiënten voldoet 40% op een bepaald moment aan de diagnose. Een dysthyme stoornis heeft meestal
een vroeg begin (kindertijd, adolescentie, vroege volwassenheid) en een chronisch beloop.
Etiopathogenese
Depressieve stoornissen worden veroorzaakt door een interactie tussen stressvolle gebeurtenissen en/
of langer bestaande moeilijkheden (sociale factoren) en constitutionele factoren (somatische en
psychische factoren) die ontstaan door genetische belasting en ervaringen in de kindertijd. De
kwetsbaarheid voor depressie is gedeeltelijk erfelijk bepaalt, maar omgevingsfactoren zoals stressvolle
levensgebeurtenissen spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van een depressie
Neurobiologische factoren: op neuro-endocrien gebied speelt een afwijkende stressregulatie
een belangrijke rol, wat zich kan uiten in hyperactiviteit van de HPA-as. Van de aminen worden
noradrenaline, dopamine en serotonine het meest betrokken gehad bij de pathogenese van
depressie. Waarschijnlijk is er niet slechts een hersensysteem verantwoordelijk voor het
ontstaan van depressie, maar meerdere die ieder een aantal symptomen kunnen verklaren
Psychologische factoren: een negatieve manier van denken over zichzelf kan bijdragen aan
zowel het ontstaan als het persisteren van een depressie. Daarnaast hebben mensen met een
depressie of dysthyme stoornis regelmatig ook een persoonlijkheidsstoornis. Een strenge
gewetensfunctie en een discrepantie tussen verwachtingen en idealen betreffende het eigen
functioneren en de werkelijkheid blijken de kwetsbaarheid voor een depressie te verhogen.
Daarnaast impliceert een verhoogde mate van neurocitisme een verhoogde kwetsbaarheid.
Behandeling
Na het stellen van de diagnose is psychoeducatie de eerste stap, waarbij ook de huidige leefstijl van
de patiënt besproken kan worden. Lichte depressies kunnen het best behandeld worden met
psychotherapie, aangezien antidepressiva relatief weinig effect hebben. Patiënten met een matige
depressie reageren soms evengoed op antidepressiva als op psychotherapie. Bij patiënten met een
ernstige depressie is farmacotherapie aan te raden. Naast antidepressiva als neurobiologische
behandeling kan in laatste instantie gedacht worden aan ECT, wat ongeveer bij 60% van de
therapieresistente patiënten effectief lijkt. Als psychologische behandeling wordt meestal gekozen voor
CGT of IPT.
Beloop
Van de lichte depressies in de algemene praktijk die korter dan drie maanden bestaan, geneest de helft
spontaan. Wel krijgt ten minste de helft van de mensen die eenmaal een depressie heeft gehad en is
genezen een recidief. Bij ongeveer 25% blijft een deel van de depressieve symptomen maanden tot
jarenlang aanwezig. Een dysthyme stoornis kent een chronisch beloop. Het suïcide risico bij mensen
met een stemmingsstoornis is hoog: 15% van de mensen die werden gehospitaliseerd voor een
ernstige depressie overlijdt door zelfmoord. Risicofactoren voor suïcide bij een depressieve stoornis
zijn: anamnestisch (bijv. eerdere pogingen, omschreven suïcideplannen, persoonlijkheidsstoornis),
specifieke symptomen (bijv. hopeloosheid, slapeloosheid en verlies van eetlust/gewicht) en sociale
factoren (bijv. alleen leven zonder partner en gebrek aan sociale contacten). Het is een misverstand
dat vragen naar suïcidegedachten en plannen de kans op zelfmoord verhoogd; de patiënt zal zich
eerder begrepen voelen als de vragen empathisch gesteld worden
DSM-V
2
, De symptomen voor major depressive disorder moeten vrijwel elke dag aanwezig zijn, met
uitzondering van veranderingen in gewicht en suïcide idealisatie. Naast een depressieve stemming
komen de klachten slapeloosheid en vermoeidheid vaak voor. Het essentiële kenmerk is een periode
van minimaal twee weken waarin er ofwel sprake is van een depressieve stemming of van een gebrek
aan interesse in plezier in vrijwel alle activiteiten. In kinderen en adolescenten is de stemming mogelijk
meer geïrriteerd dan verdrietig. Daarnaast moet de patiënt minimaal vier van de overige symptomen
ervaren, zoals psychometrische agitatie, gevoelens van excessieve schuld of waardeloosheid,
verminderd vermogen om na te denken of te consenteren en wederkerende gedachtes over de dood.
De twaalf-maanden prevalentie in de US is ongeveer 7% met grote verschillen in leeftijdsgroep; de
prevalentie in 18-29 jarigen is drie maal zo hoog als de prevalentie in individuen van 60+. Bij vrouwen
komt het gedurende de vroege adolescentie 1.5-3 maal zo veel voor dan bij mannen.
Major depressive disorder kan zich manifesteren op elke leeftijd, maar de waarschijnlijkheid neemt toe
gedurende de pubertijd. Het beloop van depressie is vrij variabel met bijvoorbeeld betrekking op
remissie. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen patiënten die recent symptomen hebben
ontwikkeld en individuen die een chronische depressieve stoornis hebben, aangezien dit laatste de
waarschijnlijkheid op onderliggende persoonlijke angsten en substantiestoornissen verhoogd. Het risico
op herhaling van depressie neemt langzaam progressief af naarmate de duur van de remissie
verhoogd.
Risico factoren en prognostische factoren
Temperament: neurocitisme is een vastgestelde risicofactoren voor de aanvang van de stoornis
en hoge niveaus duiden op een hogere waarschijnlijkheid voor het ontwikkelen van depressie
als reactie op stressvolle levensgebeurtenissen
Omgeving: nadelige ervaringen in de kindertijd verhogen het rsico
Genetisch en fysiologisch: eerstegraadsfamilieleden van individuen met de stoornis hebben een
twee tot viermaal zo hoog risico dan de algemene populatie. Erfelijkheid wordt geschat op 40%
en hierbij speelt de eigenschap neurocitisme een grote rol
Course modifiers: in essentie zorgen alle non-mood stoornissen voor een verhoogde kans voor
het ontwikkelen van depressie, waarvan substantiemisbruik. angststoornissen en borderline in
combinatie met depressie het meest voorkomen
Differential diagnosis
Manic episodes with irritable mood or mixed episodes: major depressive episodes with
prominent irritable mood may be difficult to distinguish from manic episodes with irritable mood
or from mixed episodes. This distinction requires a careful clinical evaluation of the presence of
manic symptoms.
Mood disorder due to another medical condition: a major depressive episode is the
appropriate diagnosis if the mood disturbance is not judged, based on individual history,
physical examination, and laboratory findings, to be the direct pathophysiological consequence
of a specific medical condition (e.g., multiple sclerosis, stroke, hypothyroidism).
Substance/medication-induced depressive or bipolar disorder: this disorder is
distinguished from major depressive disorder by the fact that a substance (e.g., a drug of abuse,
a medication, a toxin) appears to be etiologically related to the mood disturbance. For example,
depressed mood that occurs only in the context of withdrawal from cocaine would be diagnosed
as cocaine-induced depressive disorder.
Attention-deficit/hyperactivity disorder: distractibility and low frustration tolerance can
occur in both attention-deficit/ hyperactivity disorder and a major depressive episode; if the
criteria are met for both, attention-deficit/hyperactivity disorder may be diagnosed in addition to
the mood disorder. However, the clinician must be cautious not to overdiagnose a major
depressive episode in children with attention-deficit/hyperactivity disorder whose disturbance in
mood is characterized by irritability rather than by sadness or loss of interest.
Adjustment disorder with depressed mood: a major depressive episode that occurs in
response to a psychosocial stressor is distinguished from adjustment disorder with depressed
mood by the fact that the full criteria for a major depressive episode are not met in adjustment
disorder.
Sadness: finally, periods of sadness are inherent aspects of the human experience. These
periods should not be diagnosed as a major depressive episode unless criteria are met for
severity (i.e., five out of nine symptoms), duration (i.e., most of the day, nearly every day for at
least 2 w^eeks), and clinically significant distress or impairment. The diagnosis other specified
depressive disorder may be appropriate for presentations of depressed mood wiih clinically
significant impairment that do not meet criteria for duration or severity.
Comorbiditeit
3