Welke kwalitatieve aansprakelijkheden voor personen zijn er en wat zijn de eisen? (vraag 1)
Stap 1: Kwalitatieve aansprakelijkheid: aansprakelijkheid in hoedanigheid: de
aansprakelijkheid is gekoppeld aan het hebben van een bepaalde kwaliteit.
Kwalitatieve aansprakelijkheid kan bestaan voor:
Kinderen (art. 6:169);
Ondergeschikten (art. 6:170);
Niet ondergeschikten (art. 6:171);
Vertegenwoordigers (art. 6:172).
Stap 2: Kwalitatieve aansprakelijkheid voor kinderen: art. 6:169:
Aansprakelijkheid voor kinderen onder de 14 jaar:
o Kinderen onder de 14 jaar zijn zelf niet aansprakelijk voor de door hen
gepleegde onrechtmatige daden (art. 6:164).
o Lid 1 legt daarom de aansprakelijkheid op degene die het ouderlijk gezag of
de voogdij uitoefent.
o Voor aansprakelijkheid is vereist:
Dat de schadetoebrengende gedraging van het kind bestaat in een ‘als
een doen te beschouwen gedraging’.
Dus geen nalaten.
De gedraging moet het kind als een onrechtmatige daad kunnen
worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan.
Aansprakelijkheid voor kinderen van 14 en 15 jaar:
o 14 en 15-jarigen zijn zelf tot vergoeding van de schade gehouden wanneer zij
aan alle voorwaarden voor aansprakelijkheid voldoen. Toch rust op de
ouders/voogden aansprakelijkheid, tenzij hun niet kan worden verweten de
gedraging van het kind niet te hebben belet (lid 2).
o Vereist is dat het kind een fout heeft begaan (een doen of nalaten).
o Lid 2 vestigt een schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast: er
wordt vermoed dat de ouders of voogd onvoldoende zorg hebben betracht,
maar dit vermoeden kan door hen worden weerlegd, zodat alleen het kind
aansprakelijk is.
o Ter beoordeling of de ouders of voogd kan worden verweten de gedraging
van het kind niet te hebben belet, zal moeten worden gelet op:
De leeftijd en aard van het kind;
De eisen van het dagelijks leven; en
De levensomstandigheden van de ouders.
Stap 3: Kwalitatieve aansprakelijkheid voor ondergeschikten: art. 6:170 lid 1: voor
werkgevers een kwalitatieve risicoaansprakelijkheid voor schade door de werknemers aan
derden toegebracht.
Vereisten waardoor de derde de werkgever kan aanspreken op grond van art. 6:170 lid 1:
Het moet gaan om een fout;
Van een ondergeschikte; en
Functioneel verband.
, o Waarbij de werkgever juridische zeggenschap had over de gedragingen die de
fout veroorzaakten (instructies e.d.); en
o De kans op die fout moet door de opdracht van de werkgever zijn vergroot.
o Bij de beoordeling van het functioneel verbrand moet worden gekeken naar
alle omstandigheden van het geval: Groot Kievitsdal.
Aard van de activiteit (werk);
Plaats (werkplek);
Tijdstip (werktijd);
Middelen (werktuig).
Stap 3a: Art. 6:170 lid 2 voor ondergeschikten van een natuurlijk persoon geldt een
milder regime.
Het functioneel verband wordt hier aangescherpt, omdat het van doorslaggevend
belang is dat de ondergeschikte, tijdens het maken van de fout, handelde ter
vervulling van de opgedragen taak.
Daarnaast is vereist dat de ondergeschikte niet werkzaam was in het beroep of
bedrijf van de werkgever.
Er wordt dus minder snel aansprakelijkheid aangenomen als het om een natuurlijk
persoon gaat.
Stap 3b: Art. 6:170 lid 3 wanneer de werkgever en de ondergeschikte beiden
aansprakelijk zijn jegens de benadeelde derde, moet de werkgever voor de kosten
opdraaien.
Dit is niet het geval als de fout is gemaakt door opzet of bewuste roekeloosheid
van de werknemer.
Stap 4: Groot Kievitsdal Is het bedrijf aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door haar
een fout van haar werknemers?
Het hof acht derhalve aannemelijk dat er een voldoende nauwe band tussen de gebeurtenis
en het werknemerschap is geweest. Aangezien de werkgever niets heeft gedaan om het
ongeval te voorkomen acht het hof de werknemer aansprakelijk voor de schade uit hoofde
van art. 6:170 BW, mits kan worden vastgesteld dat de schade het gevolg is van een fout van
een of meerdere werknemers. De Hoge Raad gaat mee in de redenering van het hof en stelt
nog dat het voor toepassing van art. 6:170 BW niet van belang is dat de fout buiten werktijd
gemaakt is, dat de fout geen verband hield met de bedrijfsuitvoering en dat de fout niet is
verricht door zaken of middelen die door de werkgever ter beschikking worden gesteld voor
de vervulling van de taak van de werknemers. Het bedrijf is derhalve aansprakelijk voor de
schade veroorzaakt door een fout van haar werknemers.
De HR; het is van belang dat:
Het verwijt dat de directeur kon worden gemaakt door niet preventief op te treden,
ook al is een verwijt niet vereist;
o In casu moedigde de directeur het aan.
De eenheid waarmee de werknemers naar buiten traden en waaruit het restaurant
kon opmaken dat het ging om 1 bedrijf.