Inhoud
College psychologie cognitieve stoornissen.......................................................................................1
College psychologie emotionele problemen......................................................................................8
College psychologie motiverende gesprekken.................................................................................12
College psychologie psychosociale gevolgen chronische aandoeningen..........................................14
College psychologie zelfmanagement..............................................................................................17
College psychologie cognitieve stoornissen
Diversiteit aan stoornissen
1. Primair neurologisch: hemiparese: verlamming van 1 zijde van het lichaam.
, 2. Neuropsychologisch/cognities (door CNA). Bijv. afasie (taalstoornis), apraxie (handelingen),
agnosie (herkenning), visual neglect (waarnemen van lichaam in ruimte), amnesie
(geheugenverlies)
3. Psychologisch: denken, voelen, doen. Bijv: depressie: direct door CNA of indirect door
chronische ziekte
Negen-cellen-model
Neurologisch Neuro-psychologisch Psychologisch
Stoornis Parese Afasie Depressie
Activiteit Lopen Communicatie Omgang
Participatie Boodschappen doen Cafébezoek Gezinsleven
Denkvermogen: het vermogen om informatie uit het dagelijks leven te interpreteren (omgaan met
kennis)
Vaardigheden:
- Oriëntatie in tijd, plaats en persoon
- Aandacht en concentratie
- Informatieverwerking (tempo)
- Geheugen
- Schoolse vaardigheden (lezen,schrijven,rekenen)
- Redeneervermogen (logisch, probleemoplossend)
- Leervermogen (optelsom bovenstaande vaardigheden)
Geheugen: informatie verwerkingssyteem dat
1. Informatie codeert: omzetten informatie in passende vorm van geheugensysteem
2. Informatie opslaat: langdurig opbergen gecodeerd materiaal (lange/korte termijn geheugen)
3. Informatie terughalen: lokaliseren en terughalen informatie uit geheugen naar bewustzijn
Geheugen interpreteert, vertekent en reconstrueert de informatie die binnenkomt.
Opgenomen betekenisloze sensorisch info (bijv. stemgeluid docent) verandert in betekenisvolle
geheugenpatronen (woorden, zinnen en begrippen)
Hoe werkt het geheugen?
Functie: sensorische indrukken (beelden, geluiden, texturen) van stimuli worden hier net lang
genoeg vastgehouden, zodat hersenen kunnen beslissen welke informatie jouw aandacht verdient
(bewustzijn bereikt)
Kenmerken:
- Elk zintuig heeft een aparte sensorische opslagruimte
- Opslagcapaciteit: 12-16 items
Tijdsfasen in informatie opslag (Atkinson, shiffrin)
Inprenting: transport van sensorisch geheugen naar werkgeheugen
Afhankelijk van:
, - Aandacht
- Emoties (prettige/onprettige ervaringen, humor)
- Herhaling (bijv. leren voor een tentamen)
- Beeldvorming bij informatie (visualisatie)
- Ordening informatie (leren van rijtjes)
- Associaties (ezelsbruggetjes)
- Hoe lang en diep erover nagedacht is
- Begrijpen informatie
Werkgeheugen (short term memory)
Functie: sorteert (1) en codeert (2) informatie voordat
het wordt opgeslagen in het langetermijngeheugen.
1. Besluit welke sensorische informatie aandacht
behoeft en welke genegeerd en verdwijnen
mag geeft betekenis aan gewaarwordingen
2. Verbindt relevante informatie uit sensorisch
geheugen met items die al in het
langetermijngeheugen zijn opgeslagen
(verwerker van bewuste ervaringen)
Kenmerken:
- Informatie slecht tijdelijk opgeslagen (20-30sec)
- Geringste capaciteit: 7 items
- Ruimte te creëren door chunking en herhaling
- Nieuwe informatie beter te herinneren door verband leggen tussen oude en nieuwe
informatie betekenis
Lange termijn geheugen
Functie: ontvangt informatie uit werkgeheugen en
bewaart die, zodat ze op een later moment weer kan
worden teruggehaald.
Kenmerken:
- Grootste capaciteit en langste houdbaarheid
- Bevat alle kennis die je hebt over de wereld
en jezelf
- Netwerk van onderling verbonden associaties
Hoe werkt het geheugen?