HCO7, lichtmicroscopie
Grootte, om goed te kunnen begrijpen hoe microscopen
functioneren, is het handig om te weten naar wat voor maten we
kijken:
- Cel, gemiddeld tientallen micrometers (μm) groot
- Kern, ongeveer 10 micrometer
- Mitochondrium, 3-5 micrometer (net zo groot als een
bacterie), vaak vormen ze echter netwerken en dan kan
het 10-20 micrometer zijn.
- Eiwit, 10-20 nanometer (nm)
- Atoom, is 0,1 nanometer, maar heeft ook een eigen maat:
angstrom (=0,1 nm).
De resolutie van een lichtmicroscoop (LM) is ongeveer 200-300
nm. Dat wil zeggen dat we details kunnen onderscheiden op een
niveau van 200-300 nm. Eiwitten kunnen we dus
niet scheiden, maar in de cel zelf kunnen nog vrij
wat details van elkaar scheiden. Een LM wordt
beperkt in zijn resolutie doordat het gebruik
maakt van licht wat een golflengte heeft van
±400-700 nm. Je zou ervoor kunnen kiezen om
licht met een kortere golflengte gebruiken, zoals
UV licht, maar dat is schadelijk voor biologisch
samples. Een andere optie is
elektronenmicroscopie (EM) waar sprake is van een hele korte golflengte (HCO8). De resolutie is
daardoor een stuk groter (maar een paar angstrom), maar het heeft als nadeel dat je er geen levende
structuren mee kan onderzoeken wat wel kan met een LM. Een EM werkt namelijk met extreem
dunne plakjes. Een ander voordeel van LM is dat je er specifieke eiwitten/onderdelen mee kan
bekijken en kan volgen (fluorescentie microscopie).
Lenzen, rechts is te zien hoe de 1e microscoop verschilt van degene die we
nu gebruiken. De 1e microscoop bevat maar 1 lens, terwijl microscopen van
nu 2 lenzen bevatten. Tegenwoordig heb je een objectief wat heel dicht bij
je sample zit en een tube lens verderop in de microscoop die een
afbeelding op een vlak maakt. Hier kan je dan een camera hangen of je kan
het beeld middels een oculair (oogstuk) op je ogen afbeelden.
Diascopische illuminatie,
links zie je hoe een
lichtbron gefilterd wordt
en door een condensor
lens op je sample wordt
geschenen. Het objectief
volgt daarna op het
sample en wordt gebruikt om het beeld te
verkrijgen. Middels een condensor ga je dus door
het sample heen en daarna vang je het licht op met
een objectief dat richting je ogen gaat. Dit noemen
we diascopische illuminatie.
Contrast, het beeld dat je krijgt met een
lichtmicroscoop ontstaat door interferentie. Als
licht in fase aankomt, krijg je constructieve