Begrippenlijst en register Welvaart en Groei
A
accijns (108) belasting op de verkoop van producten die schadelijk zijn voor
gezondheid of milieu (alcohol, benzine en tabak)
afschrijvingen () het jaarlijks reserveren van geld voor de vervanging van (verouderde
of versleten) kapitaalgoederen;
afschrijvingen leveren dus het geld voor de vervangingsinvestering:
afschrijvingskosten = kosten vervangingsinvesteringen
aftrekposten (105-106) kosten die je mag aftrekken van je bruto inkomen, zodat je belastbaar
inkomen lager wordt:
bruto inkomen - aftrekposten = belastbaar inkomen
voorbeelden aftrekposten:
- hypotheekrente
- bepaalde medische kosten
- reiskosten woon-werkverkeer (openbaar vervoer)
aftrekposten hebben bij een progressief belastingtarief een denivellerend
effect op de personele inkomensverdeling (de verschillen worden groter)
arbeid (113) productiefactor
beloning: loon
arbeidsinkomens (115) lonen + arbeidsinkomens van zelfstandige ondernemers
arbeidsinkomensquote (115) lonen + arbeidsinkomen zelfstandigen
arbeidsinkomensquote AIQ = ------------------------------------------ x 100%
BBP
arbeidsjaar (113) volledige baan gedurende een jaar
arbeidsproductiviteit (112-113) productie per werknemer
productie(waarde)
arbeidsproductiviteit = ----------------------------
aantal werknemers
B
begrotingssaldo (94) saldo van de (belasting)inkomsten (B) en uitgaven (O) van de
overheid, dus: B - O
belastbaar inkomen (105) het inkomen waar je belasting over moet betalen:
bruto inkomen - aftrekposten = belastbaar inkomen
belastingdruk (105) gemiddeld belastingpercentage dat iemand betaalt
inkomstenbelasting
gemiddelde belastingtarief = ---------------------------- x 100%
bruto inkomen
bestedingen (93) totaal bestedingen = C + I + O + (E - M)
C = consumptie van gezinnen, I = investeringen van bedrijven,
O = overheidsbestedingen, E = export, M = import
De bestedingen de (netto) productie (Y), dus geldt Y = C + I + O + (E - M)
bestedingsmethode (91) berekening BBP / NBP door optelleng van de bestedingen in een land:
Y = C + I + O + (E - M)
BTW (108) belasting op de verkoop van (bijna alle) goederen
21% voor de meeste goederen en 6% voor zeer noodzakelijke goederen,
zoals voedsel.
breedte-investeringen (112) investeringen waarbij de verhouding kapitaal / arbeid gelijk blijft;
de arbeidsproductiviteit blijft ook gelijk
1
, Bruto Binnenlands Product BBP is de totale productie (toegevoegde waarde) van een land
(90 - 91) drie manieren om te berekenen:
1. objectieve methode:
BBP = toegevoegde waarde bedrijven + toegevoegde waarde overheid
2. subjectieve methode:
BBP = nationaal inkomen (loon+winst+rente+huur+pacht) + afschrijvingen
3. bestedingsmethode:
BBP = som bestedingen (C + I + O + E - M) + afschrijvingen
bruto inkomen (105) het inkomen dat je verdiend hebt en waar nog geen belasting afgehaald is
bruto investeringen (111) = totale investeringen = netto investeringen + vervangingsinvesteringen
BBP
BBP per hoofd (96) = ----------------------
aantal inwoners
Het BBP per hoofd van de bevolking wordt gebruikt als maatstaf om
de welvaart (in enge zin) van landen te meten en te vergelijken
C
categoriale inkomensverdeling de verdeling van het BBP over productiefactoren
(114 - 115)
collectieve sector (90) overheid + door overheid gesubsidieerde instellingen (scholen, enz.);
de collectieve sector wordt betaald uit belastinggeld
conjunctuur (109) de bestedingen (vraag) in de economie.
zie ook bestedingen
consumentenprijsindex (CPI) - CPI geeft de verandering van het algemeen prijspeil weer
(109) - CPI is een gewogen en samengesteld indexcijfer
consumptie (C) (93) bestedingen van gezinnen
D
deciel (101) 10% groep
deflatie (110) daling algemeen prijspeil (daling consumentenprijsindex = CPI = PIC)
degressief belastingtarief een dalend belastingpercentage bij en stijgend inkomen
(104)
denivellering van inkomens het groter worden van de inkomensverschillen
(100)
diepte-investeringen (112) arbeidsbesparende investeringen waarbij de verhouding kapitaal / arbeid
en de arbeidsproductiviteit toeneemt;
directe belasting 108) belasting op inkomens en vermogen:
inkomstenbelasting, vermogensbelasting, vennootschapsbelasting
duurzame productie (114) productie gaat niet ten koste van toekomstige productiemogelijkheden
E
economische groei (109) groei van het bruto binnenlands product (BBP)
zie ook nominale economische groei en reële economische groei
economische kringloop (93) overzicht van de geldstromen tussen de economische sectoren:
gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland
economische sectoren gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland
(93-94) gezinnen en bedrijven zijn samen de particuliere sector
overheid noemen we ook de collectieve sector
2
A
accijns (108) belasting op de verkoop van producten die schadelijk zijn voor
gezondheid of milieu (alcohol, benzine en tabak)
afschrijvingen () het jaarlijks reserveren van geld voor de vervanging van (verouderde
of versleten) kapitaalgoederen;
afschrijvingen leveren dus het geld voor de vervangingsinvestering:
afschrijvingskosten = kosten vervangingsinvesteringen
aftrekposten (105-106) kosten die je mag aftrekken van je bruto inkomen, zodat je belastbaar
inkomen lager wordt:
bruto inkomen - aftrekposten = belastbaar inkomen
voorbeelden aftrekposten:
- hypotheekrente
- bepaalde medische kosten
- reiskosten woon-werkverkeer (openbaar vervoer)
aftrekposten hebben bij een progressief belastingtarief een denivellerend
effect op de personele inkomensverdeling (de verschillen worden groter)
arbeid (113) productiefactor
beloning: loon
arbeidsinkomens (115) lonen + arbeidsinkomens van zelfstandige ondernemers
arbeidsinkomensquote (115) lonen + arbeidsinkomen zelfstandigen
arbeidsinkomensquote AIQ = ------------------------------------------ x 100%
BBP
arbeidsjaar (113) volledige baan gedurende een jaar
arbeidsproductiviteit (112-113) productie per werknemer
productie(waarde)
arbeidsproductiviteit = ----------------------------
aantal werknemers
B
begrotingssaldo (94) saldo van de (belasting)inkomsten (B) en uitgaven (O) van de
overheid, dus: B - O
belastbaar inkomen (105) het inkomen waar je belasting over moet betalen:
bruto inkomen - aftrekposten = belastbaar inkomen
belastingdruk (105) gemiddeld belastingpercentage dat iemand betaalt
inkomstenbelasting
gemiddelde belastingtarief = ---------------------------- x 100%
bruto inkomen
bestedingen (93) totaal bestedingen = C + I + O + (E - M)
C = consumptie van gezinnen, I = investeringen van bedrijven,
O = overheidsbestedingen, E = export, M = import
De bestedingen de (netto) productie (Y), dus geldt Y = C + I + O + (E - M)
bestedingsmethode (91) berekening BBP / NBP door optelleng van de bestedingen in een land:
Y = C + I + O + (E - M)
BTW (108) belasting op de verkoop van (bijna alle) goederen
21% voor de meeste goederen en 6% voor zeer noodzakelijke goederen,
zoals voedsel.
breedte-investeringen (112) investeringen waarbij de verhouding kapitaal / arbeid gelijk blijft;
de arbeidsproductiviteit blijft ook gelijk
1
, Bruto Binnenlands Product BBP is de totale productie (toegevoegde waarde) van een land
(90 - 91) drie manieren om te berekenen:
1. objectieve methode:
BBP = toegevoegde waarde bedrijven + toegevoegde waarde overheid
2. subjectieve methode:
BBP = nationaal inkomen (loon+winst+rente+huur+pacht) + afschrijvingen
3. bestedingsmethode:
BBP = som bestedingen (C + I + O + E - M) + afschrijvingen
bruto inkomen (105) het inkomen dat je verdiend hebt en waar nog geen belasting afgehaald is
bruto investeringen (111) = totale investeringen = netto investeringen + vervangingsinvesteringen
BBP
BBP per hoofd (96) = ----------------------
aantal inwoners
Het BBP per hoofd van de bevolking wordt gebruikt als maatstaf om
de welvaart (in enge zin) van landen te meten en te vergelijken
C
categoriale inkomensverdeling de verdeling van het BBP over productiefactoren
(114 - 115)
collectieve sector (90) overheid + door overheid gesubsidieerde instellingen (scholen, enz.);
de collectieve sector wordt betaald uit belastinggeld
conjunctuur (109) de bestedingen (vraag) in de economie.
zie ook bestedingen
consumentenprijsindex (CPI) - CPI geeft de verandering van het algemeen prijspeil weer
(109) - CPI is een gewogen en samengesteld indexcijfer
consumptie (C) (93) bestedingen van gezinnen
D
deciel (101) 10% groep
deflatie (110) daling algemeen prijspeil (daling consumentenprijsindex = CPI = PIC)
degressief belastingtarief een dalend belastingpercentage bij en stijgend inkomen
(104)
denivellering van inkomens het groter worden van de inkomensverschillen
(100)
diepte-investeringen (112) arbeidsbesparende investeringen waarbij de verhouding kapitaal / arbeid
en de arbeidsproductiviteit toeneemt;
directe belasting 108) belasting op inkomens en vermogen:
inkomstenbelasting, vermogensbelasting, vennootschapsbelasting
duurzame productie (114) productie gaat niet ten koste van toekomstige productiemogelijkheden
E
economische groei (109) groei van het bruto binnenlands product (BBP)
zie ook nominale economische groei en reële economische groei
economische kringloop (93) overzicht van de geldstromen tussen de economische sectoren:
gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland
economische sectoren gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland
(93-94) gezinnen en bedrijven zijn samen de particuliere sector
overheid noemen we ook de collectieve sector
2