Celbiologie samenvatting
Hoofdstuk 1: Leven: ontstaan en definitie
Inleiding
SCHWANN: Alle organismen op aarde zijn samengesteld uit één of meerdere cellen + cel vormt
de structurele eenheid van het leven
VIRCHOW: Cellen kunnen enkel ontstaan door deling van de oudere cel
Het ontstaan van leven
Het ontstaan van onze huidige aarde
Complexiteit van organismen gebeurt geleidelijk: chemische en biologische evolutie
Het ontstaan van de biosfeer
= Omgeving van de aarde waar leven mogelijk is processen:
Geologische ontwikkeling
Chemische ontwikkeling van biotopen en atmosfeer
Biologische ontwikkeling op en in het aardoppervlak
Het ontstaan van de aarde en zijn atmosfeer
Heelal: 92,8 % H + 7,1 % He + 0,1 % andere elementen
Het ontstaan van micellen waarin selectief chemische reacties kunnen gebeuren
Verschillende combinaties van polymeren geven co-acervaten
Enzym fosforylase concentreert zich in co-acervaten als glucose-1-fosfaat ook aanwezig is,
diffusie in co-acervaten en afbraak: fosfaat afbraak ; glucose zetmeel
Groei co-acervaten tot ze uiteen vallen buiten die met fosforylase
Ontstaan micellen in co-acervaten: micellen omhulling is opgebouwd uit enkelvoudige of
dubbele laag vetmoleculen
Het ontstaan van de voortplanting
Biologische evolutie: vanaf er voortplantende cellen zijn ontwikkeld
Van anaëroob naar aëroob
Ontwikkeling O2 productie: fotochemische
reacties / fototrofe prokaryoten
Ontwikkeling O3: UV-straling tegenhouden
vorming complexere en meercellige organismen
stabiliteit luchtlagen ontwikkeling
ecosystemen voedselketens
Van prokaryoten naar eukaryoten
Fermentatie = verbranding zonder O2
Autotroof = organismen die zelf organische
stoffen maken
Fototroof = bacteriën doen aan fotosynthese
Prokaryoten = geen kernmembraan ; DNA los in
cel
Eukaryoten = kernen in cellen
Celbiologie | Hoofdstuk 1: Leven: ontstaan en definitie 1
,Endosymbiose voor het verkrijgen van sommige organellen
Mitochondria (uit heterotrofe aërobe bacteriën) & chloroplasten (uit blauwwieren) & trilharen
Van één naar meercellige organismen
Kolonievorming meercellige leefvormen cellen verliezen omnipotent vermogen. Er is
organisatie & taakverdeling
Van water naar land
Door ozon minder UV-straling leven op land mogelijk complexiteit van landorganismen
Complexiteit stijgt door nood aan aanpassingsvermogen door veranderde omgevingsfactoren
Definitie en eigenschappen van leven
Metabolisme en homeostasis
Enzymen = eiwitten: opbouw uit aminozuren en dient als biologische katalysatoren bij
metabolismen
Metabolismen = constante wisselwerking tussen opbouw en afbraak van organische moleculen
energiebronnen: voedsel (heterotroof) en zonlicht (autotroof)
Nutriëntencyclus: voor ene organisme: afval en restproduct, voor andere wel bruikbaar
Homeostase = controleren van interne condities samenstelling, metabolismen & verandering &
het behouden van evenwicht.
Organisatie & hiërarchie
Hoe complexer, hoe hoger de graad van de orde
Weerspiegeling in hiërarchie: biosfeer ecosysteem gemeenschap populatie
organisme groep cellen cel moleculen
Gevoeligheid en aanpassingsvermogen
Adaptie: Toelaten dat in verschillende biotopen kunnen overleven door vorming of omvorming
van specifieke structuren
Registratie van omgeving leidt tot een betere aanpassing
Groei, ontwikkeling en vermenigvuldiging
Cellen & organismen kunnen zichzelf vermenigvuldigen nageslacht
Hoe complexer, hoe langer het duurt tot de volledige vorming van het individu
Evolutie: adaptie van genen
Afwijkingen op definitie van leven
Virussen = parasitaire of pathogene deeltjes
= chemische complexen die door de gastheercel vermenigvuldigen
Virionen: virus buiten cel (beperkt houdbaar)
Provirrus (binnenste van virus)= bij binnendringen laten ze hun buitenste eiwitmantel of
capside achter
Viroïden & prionen
Viroïden = virussen zonder eiwitmantel (plantenvirussen) ook naakte RNA-moleculen
Prionen = infectueuze eiwitten die gemakkelijk in cellen binnendringen en het
eiwitsynthesemechanisme naar hun hand zetten
Besmetting zet zich radiaal voort vanuit het besmettingspunt
Celbiologie | Hoofdstuk 1: Leven: ontstaan en definitie 2
, Hoofdstuk 2: Samenstelling van cellen
Er zijn 90 elementen waarvan 1 in de levende materie voorkomen: 96,3 % = C, H, O, N
Covalente & niet-covalente binding & reactiviteit van moleculen
Covalente binding: stabiel, sterk, consistent & vereist energie om te verbreken: twee- en
drievoudige bindingen zijn door strakheid reactiever
Elektronegativiteit bepaalt polarisatie: polair ΔEN en is reactiever ionenvorming: radicalen
(kationen & anionen)
Interacties tussen moleculen:
o Hydrofobe interacties tussen apolaire componenten
o Van der Waalsinteracties: erg zwak
o Waterstofbruggen: tussen de H’s (verbonden met C,N, O)
Het belang van water
Oplosmiddel Transportmiddel
Reagens (hydrolyse, hydratatie,…) Temperatuurregeling
Stevigheid van planten Milieu waar reacties kunnen plaatsnemen
Anorganische bestandsdelen van & in cellen Functies
Bouwelement Fysiologische en/of biochemische functie
Osmotische druk Buffer (homeostase)
Lading in oplossing van cellen & weefsels pH
Meebepalend voor transport doorheen Soms activatie van enzymen
membranen
Organische moleculen in cellen
Suikers of carbohydraten: C,H, O Eiwitten of proteïnen: C, H, O, N
Vetten of lipiden: C, H, O, P en S Nucleïnezuren: C, H, O, P, N
Sacchariden, koolhydraten, suikers
Basis: monosacchariden ; macromolecule: polysaccharide
Functies:
o Energie-opslag o Celwand structuurelement
o Receptor
Monosacchariden : Cn (H2O)n met n > 2
n H2O + n CO2 Cn(H2O)n + n O2 (plant: fotosynthese)
Cn(H2O)n + n O2 n H2O + n CO2
Glyceraldehyde: L en D isomeren: (suikers dienen voor een specifieke soort & kunnen een
specifieke secundaire functie hebben) D-suikers: primaire metabolieten:
o D-glucose: in oplossing cyclisch
o Fructose (keton) & heeft 6x de zoetwaarde
Voorbeelden
o Disacchariden
Cellulose: glucose + glucose
Maltose: glucose + glucose
Lactose: fructose + glucose
Saccharose = sucrose: fructose + glucose
o Polysacchariden:
Glycogeen (enzym glucogenase): nutritioneel: reserve suiker
Celbiologie | Hoofdstuk 2: Samenstelling van cellen 3
Hoofdstuk 1: Leven: ontstaan en definitie
Inleiding
SCHWANN: Alle organismen op aarde zijn samengesteld uit één of meerdere cellen + cel vormt
de structurele eenheid van het leven
VIRCHOW: Cellen kunnen enkel ontstaan door deling van de oudere cel
Het ontstaan van leven
Het ontstaan van onze huidige aarde
Complexiteit van organismen gebeurt geleidelijk: chemische en biologische evolutie
Het ontstaan van de biosfeer
= Omgeving van de aarde waar leven mogelijk is processen:
Geologische ontwikkeling
Chemische ontwikkeling van biotopen en atmosfeer
Biologische ontwikkeling op en in het aardoppervlak
Het ontstaan van de aarde en zijn atmosfeer
Heelal: 92,8 % H + 7,1 % He + 0,1 % andere elementen
Het ontstaan van micellen waarin selectief chemische reacties kunnen gebeuren
Verschillende combinaties van polymeren geven co-acervaten
Enzym fosforylase concentreert zich in co-acervaten als glucose-1-fosfaat ook aanwezig is,
diffusie in co-acervaten en afbraak: fosfaat afbraak ; glucose zetmeel
Groei co-acervaten tot ze uiteen vallen buiten die met fosforylase
Ontstaan micellen in co-acervaten: micellen omhulling is opgebouwd uit enkelvoudige of
dubbele laag vetmoleculen
Het ontstaan van de voortplanting
Biologische evolutie: vanaf er voortplantende cellen zijn ontwikkeld
Van anaëroob naar aëroob
Ontwikkeling O2 productie: fotochemische
reacties / fototrofe prokaryoten
Ontwikkeling O3: UV-straling tegenhouden
vorming complexere en meercellige organismen
stabiliteit luchtlagen ontwikkeling
ecosystemen voedselketens
Van prokaryoten naar eukaryoten
Fermentatie = verbranding zonder O2
Autotroof = organismen die zelf organische
stoffen maken
Fototroof = bacteriën doen aan fotosynthese
Prokaryoten = geen kernmembraan ; DNA los in
cel
Eukaryoten = kernen in cellen
Celbiologie | Hoofdstuk 1: Leven: ontstaan en definitie 1
,Endosymbiose voor het verkrijgen van sommige organellen
Mitochondria (uit heterotrofe aërobe bacteriën) & chloroplasten (uit blauwwieren) & trilharen
Van één naar meercellige organismen
Kolonievorming meercellige leefvormen cellen verliezen omnipotent vermogen. Er is
organisatie & taakverdeling
Van water naar land
Door ozon minder UV-straling leven op land mogelijk complexiteit van landorganismen
Complexiteit stijgt door nood aan aanpassingsvermogen door veranderde omgevingsfactoren
Definitie en eigenschappen van leven
Metabolisme en homeostasis
Enzymen = eiwitten: opbouw uit aminozuren en dient als biologische katalysatoren bij
metabolismen
Metabolismen = constante wisselwerking tussen opbouw en afbraak van organische moleculen
energiebronnen: voedsel (heterotroof) en zonlicht (autotroof)
Nutriëntencyclus: voor ene organisme: afval en restproduct, voor andere wel bruikbaar
Homeostase = controleren van interne condities samenstelling, metabolismen & verandering &
het behouden van evenwicht.
Organisatie & hiërarchie
Hoe complexer, hoe hoger de graad van de orde
Weerspiegeling in hiërarchie: biosfeer ecosysteem gemeenschap populatie
organisme groep cellen cel moleculen
Gevoeligheid en aanpassingsvermogen
Adaptie: Toelaten dat in verschillende biotopen kunnen overleven door vorming of omvorming
van specifieke structuren
Registratie van omgeving leidt tot een betere aanpassing
Groei, ontwikkeling en vermenigvuldiging
Cellen & organismen kunnen zichzelf vermenigvuldigen nageslacht
Hoe complexer, hoe langer het duurt tot de volledige vorming van het individu
Evolutie: adaptie van genen
Afwijkingen op definitie van leven
Virussen = parasitaire of pathogene deeltjes
= chemische complexen die door de gastheercel vermenigvuldigen
Virionen: virus buiten cel (beperkt houdbaar)
Provirrus (binnenste van virus)= bij binnendringen laten ze hun buitenste eiwitmantel of
capside achter
Viroïden & prionen
Viroïden = virussen zonder eiwitmantel (plantenvirussen) ook naakte RNA-moleculen
Prionen = infectueuze eiwitten die gemakkelijk in cellen binnendringen en het
eiwitsynthesemechanisme naar hun hand zetten
Besmetting zet zich radiaal voort vanuit het besmettingspunt
Celbiologie | Hoofdstuk 1: Leven: ontstaan en definitie 2
, Hoofdstuk 2: Samenstelling van cellen
Er zijn 90 elementen waarvan 1 in de levende materie voorkomen: 96,3 % = C, H, O, N
Covalente & niet-covalente binding & reactiviteit van moleculen
Covalente binding: stabiel, sterk, consistent & vereist energie om te verbreken: twee- en
drievoudige bindingen zijn door strakheid reactiever
Elektronegativiteit bepaalt polarisatie: polair ΔEN en is reactiever ionenvorming: radicalen
(kationen & anionen)
Interacties tussen moleculen:
o Hydrofobe interacties tussen apolaire componenten
o Van der Waalsinteracties: erg zwak
o Waterstofbruggen: tussen de H’s (verbonden met C,N, O)
Het belang van water
Oplosmiddel Transportmiddel
Reagens (hydrolyse, hydratatie,…) Temperatuurregeling
Stevigheid van planten Milieu waar reacties kunnen plaatsnemen
Anorganische bestandsdelen van & in cellen Functies
Bouwelement Fysiologische en/of biochemische functie
Osmotische druk Buffer (homeostase)
Lading in oplossing van cellen & weefsels pH
Meebepalend voor transport doorheen Soms activatie van enzymen
membranen
Organische moleculen in cellen
Suikers of carbohydraten: C,H, O Eiwitten of proteïnen: C, H, O, N
Vetten of lipiden: C, H, O, P en S Nucleïnezuren: C, H, O, P, N
Sacchariden, koolhydraten, suikers
Basis: monosacchariden ; macromolecule: polysaccharide
Functies:
o Energie-opslag o Celwand structuurelement
o Receptor
Monosacchariden : Cn (H2O)n met n > 2
n H2O + n CO2 Cn(H2O)n + n O2 (plant: fotosynthese)
Cn(H2O)n + n O2 n H2O + n CO2
Glyceraldehyde: L en D isomeren: (suikers dienen voor een specifieke soort & kunnen een
specifieke secundaire functie hebben) D-suikers: primaire metabolieten:
o D-glucose: in oplossing cyclisch
o Fructose (keton) & heeft 6x de zoetwaarde
Voorbeelden
o Disacchariden
Cellulose: glucose + glucose
Maltose: glucose + glucose
Lactose: fructose + glucose
Saccharose = sucrose: fructose + glucose
o Polysacchariden:
Glycogeen (enzym glucogenase): nutritioneel: reserve suiker
Celbiologie | Hoofdstuk 2: Samenstelling van cellen 3