01/03/19 Inleiding tot tekst- en taalstructuren Willems
Vraag: Wat was nu precies betekenis en wat was nu referentie?
Betekenis is iets wat je in de code van de taal vindt en referentie is wat je ermee doet in
de handeling van de verwijzing. Verwijzen naar iets dat niet in de taal is, dus buitentalige
werkelijkheid. Willems heeft gezegd door talen met elkaar te vergelijken dat je ziet hoe
betekenissen van taal tot taal kunnen verschillen en meestal ook verschillen en zelfs bij
cognaten. Hij heeft ons ook verteld dat ook op het vlak van syntactische constructies dat,
dat verschil moet gehandhaafd worden. Met als voorbeeld het voorbeeld van de passieve
en actieve constructie. In het Nederlands heb je een verschil tussen actief constructie en
passief constructie. We spreken hier al van constructies. Het zijn bouwsels op syntactisch
niveau: een actieve zin en een passieve zin. Je ziet dat je met de twee zinnen naar
hetzelfde in de werkelijkheid verwijzen, maar men doet dat op twee verschillende
manieren. Namelijk met een passief constructie en een actief constructie. Die twee
verschillende manieren hebben hun eigen betekenis. Er is een oppositie met andere
woorden een contrast tussen een actief- en passiefzin in het Nederlands en in alle talen
waar dat verschil bestaat. Niet alle talen kennen dat verschil. Met andere woorden of je
de zin in de actieve zin plaats ‘De arts onderzoekt de patiënt.’ dan wel in de passieve zin
‘De patiënt wordt door de arts onderzocht.’ dan zien je dat er iets gemeenschappelijk is.
Wat is dat? Wel, dat is de handeling in de werkelijkheid. Maar de manier waarop je die
handeling weergeeft in de taal is twee keer verschillend en dat is het verschil tussen tee
syntactische betekenissen: actief en passief. Wat dat verschil precies is, dat is voorwerp
van onderzoek. Het kan met activiteitsgraad te maken hebben, het kan met focus te
maken hebben. De focus ligt ofwel op de arts dan wel veeleer op de patiënt en in die
sfeer allerhande gebruiksbeperkingen, restricties op de twee constructies die men kan
onderzoeken als mensen die met elkaar vergelijken. Zeggen dat het twee synoniemen,
twee synonieme constructies zijn. Opgelet dat klopt niet, omdat de betekenissen wel
degelijk verschillend zijn hoewel de referentie hetzelfde zijn, maar als we over synonymie
spreken of quasi-synonymie/ bijna synonymie dan moeten we het hebben over betekenis
en die zijn weldegelijk verschillend en dat zie je ook in de verschillende gebruiken.
Opmerking:
Bij de klanknabootsing in het Frans had hij ‘coiun’ geschreven. Het is wat ouderwets.
Vandaag is het ‘coin coin’, maar het werkwoord is wel ‘cuiner’ kwaken.
3. Natuurlijke taal VS andere communicatiesystemen
3.1 “Natuurlijke taal”
Het is een kort exposé over wat nu de kenmerken zijn van natuurlijke taal. Taal die de
taalkunde beschrijft als men het heeft over mensentaal in vergelijking met andere
zogenaamde semiotische systemen of algemeen communicatiesystemen, die men ook in
het dierenrijk vindt, maar die niet onder natuurlijke taal vallen omdat ze gene mensen
taal zijn.
Je vindt hier een viertal grote kenmerken, die men pleegt te verbinden met wat nu
typisch is voor natuurlijke taal, dus mensentaal. Je ziet ook dat op pagina 20 man drie
pijlers onderscheidt in natuurlijke taal. Namelijk een beperkt aantal fonemen, een
woordenschat die eindigt lijkt, maar elke dag wordt uitgebreid en ook vervangen wordt
en tenslotte ook combinatieregels in mentale grammatica, die ook weer een eindig aantal
regels zijn en met die min of meer eindige middelen van die drie pijlers kan men effectief
oneindig veel gaan doen in natuurlijke taal.
We gaan in één van de lessen over taalverwerving zien, dat het systeem gebaseerd op
die drie pijlers spontaan verworven wordt door kinderen vanaf een bepaalde leeftijd en
moet verworven zijn voor een bepaalde leeftijd. We spreken van de kritische leeftijd.
1
Vraag: Wat was nu precies betekenis en wat was nu referentie?
Betekenis is iets wat je in de code van de taal vindt en referentie is wat je ermee doet in
de handeling van de verwijzing. Verwijzen naar iets dat niet in de taal is, dus buitentalige
werkelijkheid. Willems heeft gezegd door talen met elkaar te vergelijken dat je ziet hoe
betekenissen van taal tot taal kunnen verschillen en meestal ook verschillen en zelfs bij
cognaten. Hij heeft ons ook verteld dat ook op het vlak van syntactische constructies dat,
dat verschil moet gehandhaafd worden. Met als voorbeeld het voorbeeld van de passieve
en actieve constructie. In het Nederlands heb je een verschil tussen actief constructie en
passief constructie. We spreken hier al van constructies. Het zijn bouwsels op syntactisch
niveau: een actieve zin en een passieve zin. Je ziet dat je met de twee zinnen naar
hetzelfde in de werkelijkheid verwijzen, maar men doet dat op twee verschillende
manieren. Namelijk met een passief constructie en een actief constructie. Die twee
verschillende manieren hebben hun eigen betekenis. Er is een oppositie met andere
woorden een contrast tussen een actief- en passiefzin in het Nederlands en in alle talen
waar dat verschil bestaat. Niet alle talen kennen dat verschil. Met andere woorden of je
de zin in de actieve zin plaats ‘De arts onderzoekt de patiënt.’ dan wel in de passieve zin
‘De patiënt wordt door de arts onderzocht.’ dan zien je dat er iets gemeenschappelijk is.
Wat is dat? Wel, dat is de handeling in de werkelijkheid. Maar de manier waarop je die
handeling weergeeft in de taal is twee keer verschillend en dat is het verschil tussen tee
syntactische betekenissen: actief en passief. Wat dat verschil precies is, dat is voorwerp
van onderzoek. Het kan met activiteitsgraad te maken hebben, het kan met focus te
maken hebben. De focus ligt ofwel op de arts dan wel veeleer op de patiënt en in die
sfeer allerhande gebruiksbeperkingen, restricties op de twee constructies die men kan
onderzoeken als mensen die met elkaar vergelijken. Zeggen dat het twee synoniemen,
twee synonieme constructies zijn. Opgelet dat klopt niet, omdat de betekenissen wel
degelijk verschillend zijn hoewel de referentie hetzelfde zijn, maar als we over synonymie
spreken of quasi-synonymie/ bijna synonymie dan moeten we het hebben over betekenis
en die zijn weldegelijk verschillend en dat zie je ook in de verschillende gebruiken.
Opmerking:
Bij de klanknabootsing in het Frans had hij ‘coiun’ geschreven. Het is wat ouderwets.
Vandaag is het ‘coin coin’, maar het werkwoord is wel ‘cuiner’ kwaken.
3. Natuurlijke taal VS andere communicatiesystemen
3.1 “Natuurlijke taal”
Het is een kort exposé over wat nu de kenmerken zijn van natuurlijke taal. Taal die de
taalkunde beschrijft als men het heeft over mensentaal in vergelijking met andere
zogenaamde semiotische systemen of algemeen communicatiesystemen, die men ook in
het dierenrijk vindt, maar die niet onder natuurlijke taal vallen omdat ze gene mensen
taal zijn.
Je vindt hier een viertal grote kenmerken, die men pleegt te verbinden met wat nu
typisch is voor natuurlijke taal, dus mensentaal. Je ziet ook dat op pagina 20 man drie
pijlers onderscheidt in natuurlijke taal. Namelijk een beperkt aantal fonemen, een
woordenschat die eindigt lijkt, maar elke dag wordt uitgebreid en ook vervangen wordt
en tenslotte ook combinatieregels in mentale grammatica, die ook weer een eindig aantal
regels zijn en met die min of meer eindige middelen van die drie pijlers kan men effectief
oneindig veel gaan doen in natuurlijke taal.
We gaan in één van de lessen over taalverwerving zien, dat het systeem gebaseerd op
die drie pijlers spontaan verworven wordt door kinderen vanaf een bepaalde leeftijd en
moet verworven zijn voor een bepaalde leeftijd. We spreken van de kritische leeftijd.
1