VEILIGHEID EN
BELEID
AIV-V1SAC-17
IVK jaar 1 | Hogeschool Utrecht
,Inhoudsopgave
1. Introductie veiligheid en beleid 3
1.1 De staat 3
1.2 De trias politica 3
1.3 Ontwikkeling van de overheid 4
1.4 Kenmerken van de Nederlandse overheid 4
1.5 De democratische rechtsstaat 5
1.6 Algemene beginselen behoorlijk bestuur (ABBB’s) 8
2. Staatsrecht, Europa en de totstandkoming van beleid 9
2.1 De Grondwet 9
2.2 Internationale organisaties 9
2.3 Hiërarchie in wetgeving 11
2.4 Systeembenadering van Easton 11
2.5 Procesanalyse van Bressers 12
3. Beleid in fasen 13
3.1 De fasen van beleid 13
3.2 Vier modellen voor agendavorming 14
4. Besluitvorming 16
4.1 Gezagdragers 16
4.2 Beleidsbepaling 16
4.3 Besluitvormingsmodellen 17
5. Beleidsontwerp 19
5.1 Interactieve beleidsvorming 19
6. Beleidsevaluatie en beleidseffecten 22
6.1 Beleidsveranderingen 22
6.2 Beleidsevaluatie 22
6.3 Actoren 23
2
, 1. Introductie veiligheid en beleid
Hoofdstuk 2, 8, 9.1, 9.2, 10.1 en 10.2 van Wiebinga
Leerdoelen:
§ Je kunt een definitie geven van het begrip overheid;
§ Je kunt de definitie van beleid volgens Hoogerwerf geven en kan deze herkennen en uitleggen;
§ Je kunt de definitie geven van wat een probleem is en deze toepassen;
§ Je kunt het begrip trias politica uitleggen;
§ Je kent de vierde en vijfde macht;
§ Je kunt de drie bestuurslagen van het openbaar bestuur in Nederland noemen;
§ Je kunt per bestuurslaag de wetgevende, controlerende en uitvoerende macht noemen;
§ Je kunt per bestuurslaag aangeven wie de functie van voorzitter heeft.
1.1 De staat
We spreken van een staat als er voldaan is aan drie criteria:
1. Er moet sprake zijn van een grondgebied;
2. Er moet bestuursgezag aanwezig zijn. Soevereiniteit (letterlijk: de hoogste macht of gezag)
speelt een belangrijke rol;
3. Er moet een staatsvolk zijn.
De opbouw van een staat heeft alles te maken met de manier waarop de macht wordt verdeeld. Er
zijn drie machtsverdelingen:
o Samenlevingen op basis van gelijkheid
Jagers en verzamelaars: individuen in de samenleving zijn redelijk gelijk. Leiderschap is de
manier om macht uit te oefenen op de rest van de samenleving.
o Samenlevingen met rangorde
De ontwikkeling van de agrarische samenleving waarin nieuwe machtsposities konden
ontstaan. Bezit is de basis voor macht. Bijvoorbeeld land of productieoverschotten.
o Samenlevingen met gelaagdheid
Een standensamenleving waar de bevolking in verschillende groepen (standen) is opgedeeld,
zoals de boeren, de burgerij en de geestelijken. De hoogste stand heeft de meeste macht.
1.2 De trias politica
Veel moderne staten kennen een scheiding tussen:
o De kerk en de staat
…of…
o De trias politica van Montesquieu. Er is een horizontale machtenscheiding, dit betekent dat
de machten gelijkwaardig zijn.
1. De wetgevende macht (de Staten-Generaal);
2. De uitvoerende macht (de ministers);
3. De rechterlijke macht (de afhankelijke rechters).
De bureaucratie (het ambtenarenapparaat) wordt gezien als de vierde macht. Zij voeren taken
voor de minister uit en nemen daarbij ook beslissingen.
De media, activisten, organisatieadviseurs en lobbyisten worden gezien als de vijfde macht. Zij
beïnvloeden soms ook de politieke besluitvorming.
3