Biologie 32-36
3 membraam en membraamtransport
3.1 het celmembraan
Het celmembraan omgeeft de cel & bepaalt welke stoffen in en uit de cel gaan:
Bouw celmembraan:
Dubbele fosfolipide laag: creëert apolaire laag, vormt barrière
Glycolipide: lipide + suikermolecule: cel herkenning
Eiwitten:
- Transmembraam of perifeer
- Glycoproteïne: eiwit + suikermolecule
- Transporteiwit: transport polaire molecule & ionen
- Typeren celmembraan (bv. Bloedgroepen, HLA)
Cholesterol: bepaalt vloeibaarheid membraam (te veel slechte – verbranding kern)
Functies celmembraan:
Afsluiting, herstelt zichzelf
Herkenning (bv. Immuunsysteem)
Communicatie via signaalmoleculen (bv hormonen)
Hechting
Doorlaatbaarheid molecule bepalen
Compartimentalisatie
Buitenzijde celmembraan:
Planten = celwand (moeilijke te verteren, cellulose)
Dieren = extracellulaire matrix
3.2 transport doorheen membranen
,Biologie 32-36
Cellen transporten stoffen in & uit cel (bv voedingstoffen & afvalstoffen).
Passief transport:
Met concentratiegradiënt mee: H naar L concentratie
Geen energie nodig
Osmose
Diffusie
Geleide diffusie
Actief transport:
Ook tegen concentratiegradiënt in: L naar H concentratie
Energie nodig
Door membraameiwitten
Door blaasjestransport
‘Controle erover hebben’
Passief transport door diffusie:
⟶Opgeloste stoffen verplaatste zich van gebied
met Hoge c aan opgeloste stof →gebied met Lage c
van opgeloste stof.
⟶ Kan binnen in de cel & over membraam heen
⟶ = uitwisseling van kleine apolaire moleculen ( bv gasuitwisseling, O2 & CO2)
Passief transport door Geleide diffusie:
⟶ molecule/ionen diffunderen via
gespecialiseerde transporteiwitten
doorheen het celmembraam.
→ Met concentratiegradiënt mee
⟶ Over membraam heen via carriers (glucose), kanaaleiwitten (water)
⟶ == glucose, water, ionen (betrokken bij zenuwimpulsen (Na+ & K+))
Passief transport door osmose
,Biologie 32-36
→ Water gaat door een semipermeabel membraam over van gebeid met
Lage c aan opgeloste stof naar gebied met hoge c aan opgeloste stof.
Doel? = gelijke concentraties in beide compartimenten: osmotisch evenwicht.
c=c
Osmotische zuigkracht = Zolang evenwicht niet bereikt is, verplaatst water
zich en zuigt het compartiment met hoogste c aan het water.
⟶ Door tegendruk kan zuigkracht
tegengewerkt worden, = even groot als
osmotisch druk van de oplossing.
→ Hoe geconcentreerder de oplossing,
hoe sterker osmotische zuigkracht &
osmotische druk.
Naam oplossingen naargelang hoeveelheid opgeloste stoffen in
vergelijking met andere oplossing:
Hypertoon = bevat meer opgeloste
stoffen dan...
Hypotoon = bevat minder opgeloste
stoffen dan…
Isotoon = bevat evenveel opgeloste
stoffen als.
Gevolg semipermeabel membraam (verplaatsing water) = cel zal water
opnemen/afgeven naargelang zijn omgeving
, Biologie 32-36
Osmotisch gedrag bij plantaardige cellen
Wanneer cel omgeving hypertoon is t.o.v. de plantencel:
- Plasmolyse treedt op = loskomen van celmembraan & krimpen van
cytoplasma
Want ⟶celmembraan & celwand = semipermeabel, door osmose ⟶ water
uit cel getrokken
Wanneer de cel omgeving hypotoon is t.o.v. de plantencel
- Deplasmolyse treedt op: cytoplasma vergroot terug
Want ⟶ celmembraan & celwand = semipermeabel, door osmose ⟶water
in cel getrokken
Osmotisch gedrag bij dierlijke cellen:
Kloppende vacuole bij 1celligen in zoet water
Gebruik van isotone vloeistoffen bij infusen & injecties om het barsten van
rode bloedcellen in een hypotone omgeving (hemolyse) te vermijden
Hongeroedeem: gezwollen buik bij voedseltekort doordat het bloed hypotoon
wordt ten opzichte van het weefselvocht en het water de bloedvaten verlaat.
Actief transport
Proces Transport van stoffen doorheen een membraan, tegen de
concentratiegradiënt in. Dit vereist energie. Dit kan door pompen
of door blaasjestransport (exo- en endocytose).
Endocytos
e
Buiten naar blaasje
(binnen)
ATP = E-
vorm Via eiwit (pomp) Exocytose
Blaasje (binnen) naar
buiten
Membraan? Over membraan heen
Wat? Ionen (bv Na+/K+ pomp bij prikkelgeleiding)
Na = buiten cel, K =
Te veel K =
Metabolische eindproducten van de cel (eiwitten,
binnen cel lipiden, …)
hartinfarct
3.3 de celwand
3 membraam en membraamtransport
3.1 het celmembraan
Het celmembraan omgeeft de cel & bepaalt welke stoffen in en uit de cel gaan:
Bouw celmembraan:
Dubbele fosfolipide laag: creëert apolaire laag, vormt barrière
Glycolipide: lipide + suikermolecule: cel herkenning
Eiwitten:
- Transmembraam of perifeer
- Glycoproteïne: eiwit + suikermolecule
- Transporteiwit: transport polaire molecule & ionen
- Typeren celmembraan (bv. Bloedgroepen, HLA)
Cholesterol: bepaalt vloeibaarheid membraam (te veel slechte – verbranding kern)
Functies celmembraan:
Afsluiting, herstelt zichzelf
Herkenning (bv. Immuunsysteem)
Communicatie via signaalmoleculen (bv hormonen)
Hechting
Doorlaatbaarheid molecule bepalen
Compartimentalisatie
Buitenzijde celmembraan:
Planten = celwand (moeilijke te verteren, cellulose)
Dieren = extracellulaire matrix
3.2 transport doorheen membranen
,Biologie 32-36
Cellen transporten stoffen in & uit cel (bv voedingstoffen & afvalstoffen).
Passief transport:
Met concentratiegradiënt mee: H naar L concentratie
Geen energie nodig
Osmose
Diffusie
Geleide diffusie
Actief transport:
Ook tegen concentratiegradiënt in: L naar H concentratie
Energie nodig
Door membraameiwitten
Door blaasjestransport
‘Controle erover hebben’
Passief transport door diffusie:
⟶Opgeloste stoffen verplaatste zich van gebied
met Hoge c aan opgeloste stof →gebied met Lage c
van opgeloste stof.
⟶ Kan binnen in de cel & over membraam heen
⟶ = uitwisseling van kleine apolaire moleculen ( bv gasuitwisseling, O2 & CO2)
Passief transport door Geleide diffusie:
⟶ molecule/ionen diffunderen via
gespecialiseerde transporteiwitten
doorheen het celmembraam.
→ Met concentratiegradiënt mee
⟶ Over membraam heen via carriers (glucose), kanaaleiwitten (water)
⟶ == glucose, water, ionen (betrokken bij zenuwimpulsen (Na+ & K+))
Passief transport door osmose
,Biologie 32-36
→ Water gaat door een semipermeabel membraam over van gebeid met
Lage c aan opgeloste stof naar gebied met hoge c aan opgeloste stof.
Doel? = gelijke concentraties in beide compartimenten: osmotisch evenwicht.
c=c
Osmotische zuigkracht = Zolang evenwicht niet bereikt is, verplaatst water
zich en zuigt het compartiment met hoogste c aan het water.
⟶ Door tegendruk kan zuigkracht
tegengewerkt worden, = even groot als
osmotisch druk van de oplossing.
→ Hoe geconcentreerder de oplossing,
hoe sterker osmotische zuigkracht &
osmotische druk.
Naam oplossingen naargelang hoeveelheid opgeloste stoffen in
vergelijking met andere oplossing:
Hypertoon = bevat meer opgeloste
stoffen dan...
Hypotoon = bevat minder opgeloste
stoffen dan…
Isotoon = bevat evenveel opgeloste
stoffen als.
Gevolg semipermeabel membraam (verplaatsing water) = cel zal water
opnemen/afgeven naargelang zijn omgeving
, Biologie 32-36
Osmotisch gedrag bij plantaardige cellen
Wanneer cel omgeving hypertoon is t.o.v. de plantencel:
- Plasmolyse treedt op = loskomen van celmembraan & krimpen van
cytoplasma
Want ⟶celmembraan & celwand = semipermeabel, door osmose ⟶ water
uit cel getrokken
Wanneer de cel omgeving hypotoon is t.o.v. de plantencel
- Deplasmolyse treedt op: cytoplasma vergroot terug
Want ⟶ celmembraan & celwand = semipermeabel, door osmose ⟶water
in cel getrokken
Osmotisch gedrag bij dierlijke cellen:
Kloppende vacuole bij 1celligen in zoet water
Gebruik van isotone vloeistoffen bij infusen & injecties om het barsten van
rode bloedcellen in een hypotone omgeving (hemolyse) te vermijden
Hongeroedeem: gezwollen buik bij voedseltekort doordat het bloed hypotoon
wordt ten opzichte van het weefselvocht en het water de bloedvaten verlaat.
Actief transport
Proces Transport van stoffen doorheen een membraan, tegen de
concentratiegradiënt in. Dit vereist energie. Dit kan door pompen
of door blaasjestransport (exo- en endocytose).
Endocytos
e
Buiten naar blaasje
(binnen)
ATP = E-
vorm Via eiwit (pomp) Exocytose
Blaasje (binnen) naar
buiten
Membraan? Over membraan heen
Wat? Ionen (bv Na+/K+ pomp bij prikkelgeleiding)
Na = buiten cel, K =
Te veel K =
Metabolische eindproducten van de cel (eiwitten,
binnen cel lipiden, …)
hartinfarct
3.3 de celwand