Inhoud
Hoofdstuk 3: Zenuwstelsel ...................................................................................................................... 2
3.1 Inleiding ......................................................................................................................................... 2
3.1.1 Indeling v/h zenuwstelsel ....................................................................................................... 4
3.1.2 Indeling van de neuronen ....................................................................................................... 5
3.2 Het centrale zenuwstelsel.............................................................................................................. 7
3.2.1 De vorming van het centrale zenuwstelsel: zie ander document .......................................... 7
3.2.2 De macroscopische structuur v/d hersenen........................................................................... 7
3.2.3 De bloedvoorziening van de hersenen ................................................................................. 38
3.2.4 De bescherming van de hersenen ........................................................................................ 43
3.2.5 Het ruggenmerg of medulla spinalis .................................................................................... 48
3.3 Het perifere zenuwstelsel ............................................................................................................ 59
3.3.1 De spinale zenuwen (nervi spinales) .................................................................................... 59
3.3.2 De craniale zenuwen ............................................................................................................ 74
3.4 Het autonome zenuwstelsel ........................................................................................................ 94
3.4.1 Inleiding ................................................................................................................................ 94
....................................................................................................................................................... 95
3.4.2 Algemeenheden over de structuur v/h autonome zenuwstelsel ......................................... 95
3.4.3 Het orthosympathische zenuwstelsel................................................................................... 96
3.4.4 Het parasympathische zenuwstelsel .................................................................................. 101
3.4.5 Het enterisch systeem ........................................................................................................ 104
3.4.6 Enkele toepassingen betreffende het autonome zenuwstelsel.......................................... 105
1
,Hoofdstuk 3: Zenuwstelsel
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de ontwikkeling, de mascroscopie, de vascularisatie en aspecten van
de bouw en functie van het centrale zenuwstelsel bespproken
• Het zenuwstelsel
o = het belangrijkste controle en communicatiesysteem van het lichaam
▪ Al onze handelingen en activiteiten zijn afhankelijk van de werking van het
zenuwstelsel
• Ander controle-en communicatiesysteem: het endocrien stelsel
o Werkt via secretie van hormonen
▪ Die bereiken de receptoren van hun doelorgaan via circulatie in bloedbaan
o Werkt trager dan zenuwstelsel!
• Functies zenuwstelsel:
A) Ontvangen van informatie uit de omgeving (extern en het eigen lichaam) via een
adequate stimulus (= sensoriele input)
B) Verwerken en interpreteren van de ontvangen informatie en beslissen over een
reactie (=integratie)
C) Een reactie doen uitvoeren door effectororganen (=motorisch output)
De effectororganen kunnen skeletspieren, gladde spieren of klieren zijn
2
, • Functionele basiseenheid v/h zenuwstelsel = zenuwcel of neuron
o 3 belangrijke eigenschappen, waardoor ze zich onderscheiden van meeste andere
cellen:
1) In staat om prikkels te ontvangen en te geleiden
2) Delen niet meer (ze worden amitotisch genoemd)
➔ Verlies van neuronen = definitief, irreversibel proces***
➔ Neuronen kunnen zeer oud worden, namelijk een mensenleven
3) Permanent hoge metabolische activiteit
➔ Vergt continu hoge aanvoer glucose & zuurstof
➔ Zuurstoftekort in hersenen gedurende enkele min. Veroorzaakt
blijvende schade
***In verband met het irreversibele verlies van neuronen moet worden opgemerkt dat neurogenese,
dat wil zeggen nieuwvorming van neuronen, vanuit stamcellen in het ependym van de hersenen in het
ruggenmerg van verschillende zoogdieren is beschreven (spreekt stelling 2 tegen)
o bestaat uit:
▪ een cellichaam (of perikaryon)
➢ meeste cellichamen liggen in centrale zenuwstelsel
➢ soms liggen cellichamen gegroepeerd op het verloop v/e zenuw →
dwz in het perifere zenuwstelsel
=> dergelijke concentratie v cellichamen = (perifeer) ganglion
▪ een axon
▪ een aantal dendrieten
• Behalve uit neuronen bestaat het zenuwstelsel ook uit steuncellen die verschillend zijn voor
centrale zenuwstelsel & perifere zenuwstelsel
3
, 3.1.1 Indeling v/h zenuwstelsel
Men maakt traditioneel & op anatomische basis een onderscheid tussen:
1) het centrale (CZS)
- omvat hersenen & ruggenmerg
- vervult functioneel de integratiefunctie
2) het perifere zenuwstelsel (PZS)
- bestaat uit:
▪ hersenzenuwen (craniale zenuwen of nervi craniales; 12 paar)
▪ ruggenmergzenuwen (spinale zenuwen of nervi spinales; 31 paar)
- zorgt voor verbinding ts centrale zenuwstelsel & alle lichaamsdelen
Deze onderverdeling is vrij artificieel; eenzelfde neuron kan tot zowel het CZS als het PZS
behoren
Deze indeling is echter nuttig op didactisch vlak, omdat ze het mogelijk maakt om op een
geordende wijze de bouw van het zenuwstelsel voor te stellen
4
Hoofdstuk 3: Zenuwstelsel ...................................................................................................................... 2
3.1 Inleiding ......................................................................................................................................... 2
3.1.1 Indeling v/h zenuwstelsel ....................................................................................................... 4
3.1.2 Indeling van de neuronen ....................................................................................................... 5
3.2 Het centrale zenuwstelsel.............................................................................................................. 7
3.2.1 De vorming van het centrale zenuwstelsel: zie ander document .......................................... 7
3.2.2 De macroscopische structuur v/d hersenen........................................................................... 7
3.2.3 De bloedvoorziening van de hersenen ................................................................................. 38
3.2.4 De bescherming van de hersenen ........................................................................................ 43
3.2.5 Het ruggenmerg of medulla spinalis .................................................................................... 48
3.3 Het perifere zenuwstelsel ............................................................................................................ 59
3.3.1 De spinale zenuwen (nervi spinales) .................................................................................... 59
3.3.2 De craniale zenuwen ............................................................................................................ 74
3.4 Het autonome zenuwstelsel ........................................................................................................ 94
3.4.1 Inleiding ................................................................................................................................ 94
....................................................................................................................................................... 95
3.4.2 Algemeenheden over de structuur v/h autonome zenuwstelsel ......................................... 95
3.4.3 Het orthosympathische zenuwstelsel................................................................................... 96
3.4.4 Het parasympathische zenuwstelsel .................................................................................. 101
3.4.5 Het enterisch systeem ........................................................................................................ 104
3.4.6 Enkele toepassingen betreffende het autonome zenuwstelsel.......................................... 105
1
,Hoofdstuk 3: Zenuwstelsel
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de ontwikkeling, de mascroscopie, de vascularisatie en aspecten van
de bouw en functie van het centrale zenuwstelsel bespproken
• Het zenuwstelsel
o = het belangrijkste controle en communicatiesysteem van het lichaam
▪ Al onze handelingen en activiteiten zijn afhankelijk van de werking van het
zenuwstelsel
• Ander controle-en communicatiesysteem: het endocrien stelsel
o Werkt via secretie van hormonen
▪ Die bereiken de receptoren van hun doelorgaan via circulatie in bloedbaan
o Werkt trager dan zenuwstelsel!
• Functies zenuwstelsel:
A) Ontvangen van informatie uit de omgeving (extern en het eigen lichaam) via een
adequate stimulus (= sensoriele input)
B) Verwerken en interpreteren van de ontvangen informatie en beslissen over een
reactie (=integratie)
C) Een reactie doen uitvoeren door effectororganen (=motorisch output)
De effectororganen kunnen skeletspieren, gladde spieren of klieren zijn
2
, • Functionele basiseenheid v/h zenuwstelsel = zenuwcel of neuron
o 3 belangrijke eigenschappen, waardoor ze zich onderscheiden van meeste andere
cellen:
1) In staat om prikkels te ontvangen en te geleiden
2) Delen niet meer (ze worden amitotisch genoemd)
➔ Verlies van neuronen = definitief, irreversibel proces***
➔ Neuronen kunnen zeer oud worden, namelijk een mensenleven
3) Permanent hoge metabolische activiteit
➔ Vergt continu hoge aanvoer glucose & zuurstof
➔ Zuurstoftekort in hersenen gedurende enkele min. Veroorzaakt
blijvende schade
***In verband met het irreversibele verlies van neuronen moet worden opgemerkt dat neurogenese,
dat wil zeggen nieuwvorming van neuronen, vanuit stamcellen in het ependym van de hersenen in het
ruggenmerg van verschillende zoogdieren is beschreven (spreekt stelling 2 tegen)
o bestaat uit:
▪ een cellichaam (of perikaryon)
➢ meeste cellichamen liggen in centrale zenuwstelsel
➢ soms liggen cellichamen gegroepeerd op het verloop v/e zenuw →
dwz in het perifere zenuwstelsel
=> dergelijke concentratie v cellichamen = (perifeer) ganglion
▪ een axon
▪ een aantal dendrieten
• Behalve uit neuronen bestaat het zenuwstelsel ook uit steuncellen die verschillend zijn voor
centrale zenuwstelsel & perifere zenuwstelsel
3
, 3.1.1 Indeling v/h zenuwstelsel
Men maakt traditioneel & op anatomische basis een onderscheid tussen:
1) het centrale (CZS)
- omvat hersenen & ruggenmerg
- vervult functioneel de integratiefunctie
2) het perifere zenuwstelsel (PZS)
- bestaat uit:
▪ hersenzenuwen (craniale zenuwen of nervi craniales; 12 paar)
▪ ruggenmergzenuwen (spinale zenuwen of nervi spinales; 31 paar)
- zorgt voor verbinding ts centrale zenuwstelsel & alle lichaamsdelen
Deze onderverdeling is vrij artificieel; eenzelfde neuron kan tot zowel het CZS als het PZS
behoren
Deze indeling is echter nuttig op didactisch vlak, omdat ze het mogelijk maakt om op een
geordende wijze de bouw van het zenuwstelsel voor te stellen
4