Compleet
c-FH1
Learning strategies (MOET DAD):
❖ Movement Imagery, het systematisch voorstellen van een beweging
❖ Observational learning, observerend leren
❖ Errorless learning, foutloos leren
❖ Trial and error learning, leren met vallen en opstaan
❖ Dual-task learning, leren dmv dubbeltaken
❖ Analogy learning, leren dmv beeldspraak en metaforen
❖ Discovery learning, ontdekkend leren
Motorische vaardigheid: geheel van bewegingen van lichaamsdelen die bewust en doelgericht
uitgevoerd wordt en aangeleerd is. Indivudi, taak en omgeving
Motorische vaardigheid = handeling (motor skill = action)
Beweging: deelcomponent van een vaardigheid, die op verschillende manieren tot dezelfde
vaardigheid kunnen leiden
Het verschil tussen vaardigheid en beweging:
- Eenzelfde vaardigheid bestaat bij verschillende individuen uit verschillende bewegingen.
- Het gebruik van andere meetinstrumenten
- Andere positionering binnen ICF
Leren: een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg
van specifieke ervaringen met de omgeving.
Motorisch leren: veranderingen in het vermogen om motorische taken of activiteiten uit te voeren
die het gevolg zijn van oefening en training. Het geheel van processen als gevolg van oefenen en/of
ervaring, die leiden tot een relatief permanente verandering in de gedragsmogelijkheden van een
persoon.
,Oefening, die leidt tot een prestatie-verbetering in de training, maar niet over de training heen
(transfer), heeft geen leereffect. Bijvoorbeeld de ladder met voetballen, je wordt hier heel goed in
maar het maakt je geen betere voetballer.
Vormen van leren
- Impliciet leren: kennis verkregen zonder de bedoeling om iets te leren. Zonder dat men zich
van leren bewust is en zonder dat men weet wat er geleerd is. Doen zonder veel bewuste
aandacht.
- Expliciet leren: bewust en bedoeld leren. Veel instructies.
Wat moet je kunnen om vanuit het oogpunt van motorisch leren verantwoord een les samen te
stellen;
- zowel intrinsieke feedback (feedback die de lerende krijgt uit het uitvoeren van de beweging
zled) als augmented feedback (feedback van buiten af, aanwijzingen van coach enz)
beschrijven in de lesvoorbereiding
- beide vormen van feedback op KP (knowledge of performence, aanwijzingen over de juiste
technische uitvoering) en de KR (geen instructeur maar bijvoorbeeld alleen meetlint om
uitslag te meten) karakteristieken beoordelen en waar nodig/ mogelijk KP (±95% van alle
gegeven feedback) vervangen door (een deel) KR feedback
- de gekozen feedback eenvoudig verpakken (KISS) om het cognitieve niet een extra hindernis
voor het leren te laten zijn
- bepalen hoeveel feedback op dit moment van het leerproces nodig is en met welke strategie
dat het beste kan
- het moment van feedback bepalen; na het verwerken van de intrinsieke feedback
- bij keuze voor direct leren de problemen van part en whole practice goed in kaart brengen
- bij indirect leren de juiste tool of combinatie van tool kiezen en vertalen naar een goede
verantwoorde organisatie vorm.
Chocking under pressure: terugvallen in prestatie door stress, impliciet leren verminderd dit. Slechter
presteren dan verwacht gezien iemands normale niveau, wanneer de druk om te presteren zeer
hoog is.
Theorieën van motorisch leren:
- Adams’ closed-loop theory: de werking van afferente informatie staat centraal in de
menselijke motorische controle. Om een beweging te leren is een motorprogramma nodig
dat bestaat uit twee geheugenstanden (geheugentracing en perceptueel spoor). sensorische
feedback wordt gebruikt voor het goed uitvoeren van een beweging. Open skill >
voetbalwedstrijd, door drukke winkelstraat lopen. Closed skill > 100 m sprint. Open loop >
beweging inzetten zonder je tussendoor kan bijsturen, snelle beweging. Closed loop >
beweging kan je continu bijsturen, langzame beweging.
• ‘memory trace' = selectie (kiezen) en initiatie (starten) van beweging. Het geheugenspoor
initieert de motorbeweging, kiest de beginrichting ervan en bepaalt de vroegste delen
van de beweging.
• ‘perceptual trace' = opgebouwd over een periode van oefenen; de interne referentie of een
beweging correct wordt uitgevoerd. Is betrokken bij het begeleiden van het ledemaat naar
de juiste positie langs een traject. Dit wordt bereikt door binnenkomende feedback te
vergelijken met het perceptueel spoor, die is gevormd uit de zintuiglijke gevolgen van het feit
dat de ledemaat zich bij het juiste / incorrecte eindpunt in eerdere ervaringen bevindt.
- Schmidt’s schema theory: een abstracte representatie van de werkelijkheid, motor-
programma’s bevatten geen specifieke bewegingen maar generale regels voor beweging. Het
basisschema zit erin, omdat je impliciet hebt geleerd. 1000 manieren om een bal te trappen,
trap te lopen enz. maar dit wordt afgestemd op de omgeving en dit weet je allemaal door die
, basisschema’s. Hierin suggereert Schmidt dat een motorprogramma met algemene regels
kan worden toegepast op verschillende omgevings- of situationele contexten via de
betrokkenheid van open-lus controleprocessen en GMP’s. In Schmidt's theorie bevat
het schema (psychologie) de gegeneraliseerde regels die de ruimtelijke en temporale
spierpatronen genereren om een specifieke beweging te produceren. [7] p. 32Daarom kan een
individu bij het aanleren van nieuwe bewegingen een nieuwe GMP genereren op basis van
de selectie van parameters (waardoor het nieuwe bewegingsprobleem wordt verminderd),
of een bestaande GMP verfijnen (het opslagprobleem verminderen), afhankelijk van eerdere
ervaringen met beweging en taakcontext.
• Recall schema: bevat alle informatie die nodig is om een relevante beweging te starten
• Recognition schema: informatie die nodig is om fouten te corrigeren en de juiste
uitvoering te onthouden
Optimaal leren zal plaatsvinden als een taak onder veel verschillende omstandigheden wordt
beoefend.
- Ecologisch systeem model: waarneming- en actiesystemen zijn betrokken bij een optimale
taakoplossing. Benadrukt de dynamische verkenningsactiviteit van de perceptuele- en
motorische werkruimte om optimale strategieën te creëren voor het uitvoeren van een taak.
De lerende is een actieve ‘onderzoeker’ van de omgeving. Continu kijken hoe is de omgeving
en hoe moet ik daar op reageren. Is inpasbaar wanneer men de omgeving wil manipuleren
om de bewegingshandeling te vergemakkelijken, denk aan het aanpassen van de zithoogte
van de stoel wanneer het opstaan vanuit zittende positie als moeilijk wordt ervaren.
Beweging komt voor uit interactie tussen individu, taak en omgeving
Stadia motorisch leren:
- Fitts en Posner’s Three stage model
In dit model wordt onderscheid gemaakt tussen achtereenvolgens:
• Cognitieve of verbaal-motorische fase: doorgronden van de bewegingshandeling.
Gebruik van expliciete stap voor stap uitvoerregels. Hier ligt de nadruk op instructie en
het aanleren van een grove versie van de beweging.
• Associatieve fase: aaneensmeden van onderdelen van de beweging. Ontwikkeling van
perceptie actie koppelingen. Hierin ligt de nadruk op verdere verfijning van de beweging,
met name door uitproberen en oefenen.
• Autonome fase: bewegingsuitvoering gaat vanzelf, is impliciet. Aandacht kan gericht
worden op andere zaken. De beweging vraagt steeds minder bewuste aandacht dus kan
deze aandacht aan andere, bijvoorbeeld tactische, aspecten besteed worden van de
sportsituatie.
, c-FH2
nesting: sub-handelingen leveren een bijdrage aan de totaalhandeling
Wat is normaal?
• Veilig
• Gecoördineerd
• Doelgericht
• Economisch
• Ritmisch
• Adaptief
• Selectief
Effectief oefenen is meer dan het herhalen van de bewegingen. Zorg voor gevarieerde
omstandigheden waardoor de automatismen bestand zijn tegen onvoorziene veranderingen in
interne en externe omstandigheden.
w-FH3
1. Impliciet leren: leren met het gebruik van beeldspraak bijvoorbeeld
2. Expliciet leren: stap voor stap de beweging uitleggen
3. Declaratief leren: het geheugen voor feiten en gebeurtenissen
Leren gebeurt bewust, ook wel expliciet geheugen genoemd
Herinneringen makkelijk te vormen, maar ook makkelijk te vergeten
4. Non-declaratief leren: gebeurt onbewust, ook wel impliciet geheugen genoemd
Herinneringen vereisen herhaling en oefening over een langere periode, maar deze
herinneringen worden moeilijk vergeten.
Bestaat uit het procedurele geheugen: vaardigheden, gewoonten en gedragingen. Betrokken
gebied: Striatum.
5. Non-associatief leren:
6. Associatief leren: Het vormen van associaties tussen gebeurtenissen. Een voorbeeld hiervan
is de Active Shock Avoidance-test bij ratten. Twee vormen van conditionering: klassieke
conditionering en operante conditionering.
7. Procedureel leren: niet-declaratieve of impliciete geheugen.
8. Wat is gewenning? Vermindering van een effect van een stof bij een volgende toediening van
die stof. Bijvoorbeeld gewenning voor alcohol: iemand die heel veel sterkedrank (dat je echt
als één woord schrijft) drinkt, wordt na verloop van tijd met moeite echt dronken. Ook
tolerantie. Kijk ook bij abstinentie, onthouding, afkicken, ontwenning.
9. Wat is sensitisatie? Een vorm van niet-associatief leren waarbij een versterking van een
reflex op prikkels plaatsvindt. Wordt gerekend tot een van de deelvormen van het impliciete
of niet-declaratieve geheugen.
10. Wat is klassieke conditionering? Door twee prikkels altijd tegelijk te geven, gaat het individu
de twee met elkaar associëren. Bijvoorbeeld: een hond kreeg altijd eten wanneer een
belletje ging: wanneer het belletje ging, liep de hond het water al in de mond.
11. Wat is operante conditionering? Het individu wordt beloond of gestraft, zodat hij de
handeling gaat associëren met iets leuks of iets vervelends. Voorbeeld: een stikker in je
schriftje op school als beloning, of voor straf vroeg naar bed