ALGEMENE CEL EN WEEFSELLEER: OPEN THEORIEVRAGEN
BINDWEEFSELS
Bespreek de drie componenten van de extracellulaire matrix van bindweefsels.
Tussen de cellen zit intracellulair materiaal = de extracellulaire matrix 3 componenten
1) Grondsubstantie = verbinding tussen cellen en eiwitvezels in BW
- Hoge viscositeit hierdoor belemmering vd verspreiding micro-organismen + vreemde partikels
- Bestaat uit de vaste grondsubstantie met hieraan gebonden H-moleculen
- Vaste grondsubstantie:
1. Proteoglycanen = eiwitketen met daarop glycosaminoglycanen gebonden
Rol bij vasthouden van water in matrix zorgt voor hydratatie + veerkracht matrix
GAGs = lineaire polysacchariden opgebouwd uit lange ketens van disacchariden elk
bestaande uit een uronzuur en een hexosamine
- Kunnen zowel ongesulfateerd (hyaluronzuur) als gesulfateerd
(keratansulfaat) zijn
- Zijn zeer hydrofiel
Hyaluronidase zorgt voor een vermindering van de viscositeit van grondsubstantie
waardoor de doorgang naar ondeliggend weefsel makkelijker wordt
2. Glycoproteïnen = complexen van eiwitten en koolhydraten
Hechtingsmoleculen en spelen rol bij cel-cel en cel-matrix interacties
Helpen bij stabiliseren van matrix en bevorderen celadhesie en signalering
Voorbeelden = fibronectine, lamininen en chondronectine
- Fibronectine = bindt met cellen, glycosaminoglycanen en collageen
- Lamininen = hechting van epitheelcellen aan basale membraan
- Chrondronectine = hecht kraakbeencellen aan type 2 collageen
3. Matrixreceptoren = eiwitten op celmembraan en kunnen componenten van
extracellulaire matrix linken met de intercellulaire matrix
Door bindingen kunnen cellen communiceren met en reageren op omgeving
= essentieel voor bepaalde processen
2) Eiwitvezels
3) Weefselvloeistof
De eigenschappen van de matrix bepalen de structurele kenmerken van bindweefsel
1
, Bespreek de verschillende vezeltypen die voorkomen in bindweefsels.
3 grote groepen van vezeltypen
1) Collageenvezels
- Voornaamste BW vezel en meest voorkomende eiwit in mammalia + in BW
- Geproduceerd door meerdere celtypen
- Onderverdeeld in fibrilvormende, netwerkvormende en verankerde collagenen
- Meestal gerangschikt in bundels
- Biedt de grootste weerstand tegen trekkrachten
- Weinig rekbaar
- Verschillende typen collageen, maar 95% behoort tot de typen I-IV
- Bouwsteen van collageen = tropocollageen
Tropocollageenmoleculen worden gestapeld tot collagene fibrillen
Typische gebieden = lacunair gebied en gebied van overlapping
Collageenfibrillen samengevoegd tot collageenvezels die collageenbundel vormen
- Biosynthese van collageen
1. Intracellulaire fase
- Op de ribosomen van RER (RER = eiwitfabriek, gebonden aan cysternen van ER)
Primaire en secundaire structuur van eiwitten aangemaakt
Omzetting proline en lysine naar hydroxyvorm = vitamine C voor nodig
o Wanneer dit niet gebeurt = niet juiste collageen vormen
Vorming drievoudige helix = tertiaire structuur
- In Golgi-apparaat = fine-tuning van eiwit
Vanaf hier wordt eiwit naar buiten gebracht
Procollageen vrijgesteld in omringende matrix
Binding van glucose en galactose aan hydrocylysineresiduen in vesikels naar
het celmembraan
2. Secretiefase = via exocytose wordt procollageen vrijgesteld
- Oiv procollageenpeptidase wordt eindstuk afgesplitst = tropocollageen ontstaat
3. Extracellulaire fase = polylmerisatie tropocollageen + ontstaan quartenaire structuur
2) Reticulaire vezels
- Opgebouwd uit collageen type III = reticuline
- Vormen fijne netwerken ipv bundels
- Basisfibrillen opgebouwd uit minder aantal tropocollageenmoleculen bundelen tot
reticuline-vezels
- Type III collageen sterk geassocieerd met glycoproteïnen + proteoglycanen en rijk aan
koolhydraatketens
- Eigenlijk zouden we reticulinevezels bij collageen kunnen plaatsen = een vorm ervan
- Speelt belangrijke rol bij wondgenezing
3) Elastische vezels
- Bestaat voornamelijk uit elastine = rubberachtig glycoproteïne
- Wel uitrekbaar tot 1,5x hun lengte uittrekken
Keren daarna snel terug naar hun oorspronkelijke lengte
- Vorming
Elastine bevat desmosine en isodesmosine zorgen voor elasticiteit + gele kleir
Elastine uitgescheiden als pro-elastine + polymeriseert tot elastine
- Verlopen dunner en strakker in vergelijking met collagene vezels
- Niet opgebouwd uit aparte fibrillen + vertonen EM geen dwarsstreping
- Vormen netwerk en zijn op kruispunten versmolten = NIET VERTAKT!
- Elke elastiche vezel bestaat uit elastine + schede van tubulaire microfibrillen
2
BINDWEEFSELS
Bespreek de drie componenten van de extracellulaire matrix van bindweefsels.
Tussen de cellen zit intracellulair materiaal = de extracellulaire matrix 3 componenten
1) Grondsubstantie = verbinding tussen cellen en eiwitvezels in BW
- Hoge viscositeit hierdoor belemmering vd verspreiding micro-organismen + vreemde partikels
- Bestaat uit de vaste grondsubstantie met hieraan gebonden H-moleculen
- Vaste grondsubstantie:
1. Proteoglycanen = eiwitketen met daarop glycosaminoglycanen gebonden
Rol bij vasthouden van water in matrix zorgt voor hydratatie + veerkracht matrix
GAGs = lineaire polysacchariden opgebouwd uit lange ketens van disacchariden elk
bestaande uit een uronzuur en een hexosamine
- Kunnen zowel ongesulfateerd (hyaluronzuur) als gesulfateerd
(keratansulfaat) zijn
- Zijn zeer hydrofiel
Hyaluronidase zorgt voor een vermindering van de viscositeit van grondsubstantie
waardoor de doorgang naar ondeliggend weefsel makkelijker wordt
2. Glycoproteïnen = complexen van eiwitten en koolhydraten
Hechtingsmoleculen en spelen rol bij cel-cel en cel-matrix interacties
Helpen bij stabiliseren van matrix en bevorderen celadhesie en signalering
Voorbeelden = fibronectine, lamininen en chondronectine
- Fibronectine = bindt met cellen, glycosaminoglycanen en collageen
- Lamininen = hechting van epitheelcellen aan basale membraan
- Chrondronectine = hecht kraakbeencellen aan type 2 collageen
3. Matrixreceptoren = eiwitten op celmembraan en kunnen componenten van
extracellulaire matrix linken met de intercellulaire matrix
Door bindingen kunnen cellen communiceren met en reageren op omgeving
= essentieel voor bepaalde processen
2) Eiwitvezels
3) Weefselvloeistof
De eigenschappen van de matrix bepalen de structurele kenmerken van bindweefsel
1
, Bespreek de verschillende vezeltypen die voorkomen in bindweefsels.
3 grote groepen van vezeltypen
1) Collageenvezels
- Voornaamste BW vezel en meest voorkomende eiwit in mammalia + in BW
- Geproduceerd door meerdere celtypen
- Onderverdeeld in fibrilvormende, netwerkvormende en verankerde collagenen
- Meestal gerangschikt in bundels
- Biedt de grootste weerstand tegen trekkrachten
- Weinig rekbaar
- Verschillende typen collageen, maar 95% behoort tot de typen I-IV
- Bouwsteen van collageen = tropocollageen
Tropocollageenmoleculen worden gestapeld tot collagene fibrillen
Typische gebieden = lacunair gebied en gebied van overlapping
Collageenfibrillen samengevoegd tot collageenvezels die collageenbundel vormen
- Biosynthese van collageen
1. Intracellulaire fase
- Op de ribosomen van RER (RER = eiwitfabriek, gebonden aan cysternen van ER)
Primaire en secundaire structuur van eiwitten aangemaakt
Omzetting proline en lysine naar hydroxyvorm = vitamine C voor nodig
o Wanneer dit niet gebeurt = niet juiste collageen vormen
Vorming drievoudige helix = tertiaire structuur
- In Golgi-apparaat = fine-tuning van eiwit
Vanaf hier wordt eiwit naar buiten gebracht
Procollageen vrijgesteld in omringende matrix
Binding van glucose en galactose aan hydrocylysineresiduen in vesikels naar
het celmembraan
2. Secretiefase = via exocytose wordt procollageen vrijgesteld
- Oiv procollageenpeptidase wordt eindstuk afgesplitst = tropocollageen ontstaat
3. Extracellulaire fase = polylmerisatie tropocollageen + ontstaan quartenaire structuur
2) Reticulaire vezels
- Opgebouwd uit collageen type III = reticuline
- Vormen fijne netwerken ipv bundels
- Basisfibrillen opgebouwd uit minder aantal tropocollageenmoleculen bundelen tot
reticuline-vezels
- Type III collageen sterk geassocieerd met glycoproteïnen + proteoglycanen en rijk aan
koolhydraatketens
- Eigenlijk zouden we reticulinevezels bij collageen kunnen plaatsen = een vorm ervan
- Speelt belangrijke rol bij wondgenezing
3) Elastische vezels
- Bestaat voornamelijk uit elastine = rubberachtig glycoproteïne
- Wel uitrekbaar tot 1,5x hun lengte uittrekken
Keren daarna snel terug naar hun oorspronkelijke lengte
- Vorming
Elastine bevat desmosine en isodesmosine zorgen voor elasticiteit + gele kleir
Elastine uitgescheiden als pro-elastine + polymeriseert tot elastine
- Verlopen dunner en strakker in vergelijking met collagene vezels
- Niet opgebouwd uit aparte fibrillen + vertonen EM geen dwarsstreping
- Vormen netwerk en zijn op kruispunten versmolten = NIET VERTAKT!
- Elke elastiche vezel bestaat uit elastine + schede van tubulaire microfibrillen
2