thema 1 organen en cellen
Een groep cellen bij elkaar noem je weefsel. Bijvoorbeeld beenweefsel, spierweefsel
en zenuwweefsel.
De harde delen van een bot bestaan uit beenweefsels, de cellen in de beenweefsel
liggen niet direct tegen elkaar aan. Tussen de cellen zit tussencelstof in beenweefsel
is het hard en vol met kalk in andere weefsels zacht en vloeibaar.
Een cel bevat cytoplasma, een vloeibare stof met eiwitten en andere opgeloste
stoffen.
Om het cytoplasma ligt een dun vlies: het celmembraan.
In het cytoplasma ligt de celkern de celkern regelt alles wat er in de cel gebeurd.
Om de celkern ligt ook een dun vlies het kernmembraan.
In het cytoplasma komen ook vacuolen voor dat zijn blaasjes gevuld met vocht.
Het cytoplasma vormt een stevig laagje om de cel heen de celwand.
De celwand is een tussencelstof en behoort niet tot de cel.
De vorming van nieuwe lichaamscellen gaat bij bijna alle organisme op dezelfde
manier.
Eerst deelt de celkern zich in 2e (kerndeling)
Daarna deelt de cel zich in 2e (celdeling)
Er zijn dan uit de moedercel 2 nieuwe dochtercellen ontstaan.
Daarna wordt er cytoplasma bijgevormd waardoor de cellen even groot worden als
de moedercel.
Deze celdeling wordt gewone celdeling of mitose genoemd.
biologisch onderzoek doen:
● probleemstelling
, ● onderzoeksvraag
● veronderstelling
● verwachting
● werkplan
● onderzoek uitvoeren
● conclusie
thema 2 ordening
organisme delen we in in 4 rijken:
● bacteriën
, ● schimmels
● planten
● dieren
Er zijn ook eencellige organisme bijvoorbeeld bacterien.
Organisme behoren tot 1 soort als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen
maken.
De afdeling geleedpotige wordt verdeeld in 4 klassen:
duizendpoten, kreeftachtige, spinachtigen en insecten.
De kenmerken van geleedpotigen zijn:
Dat ze opgebouwd zijn uit kleine stukjes, een uitwendig skelet hebben en soms
vervellen.
De afdeling gewervelden verdelen we in 5 klassen:
vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren.
De gewervelden zijn van elkaar te onderscheiden door:
● de huid het kan schubben, kieuwen, veren of haren hebben
● de lichaamstemperatuur kan koud of warmbloedig zijn
● de ademhalingsorganen kunnen kieuwen, de huid of longen zijn
● de manier van voortplanten veel gewervelde leggen eieren
● het milieu waarin ze leven
thema 3 voortplanting
Een groep cellen bij elkaar noem je weefsel. Bijvoorbeeld beenweefsel, spierweefsel
en zenuwweefsel.
De harde delen van een bot bestaan uit beenweefsels, de cellen in de beenweefsel
liggen niet direct tegen elkaar aan. Tussen de cellen zit tussencelstof in beenweefsel
is het hard en vol met kalk in andere weefsels zacht en vloeibaar.
Een cel bevat cytoplasma, een vloeibare stof met eiwitten en andere opgeloste
stoffen.
Om het cytoplasma ligt een dun vlies: het celmembraan.
In het cytoplasma ligt de celkern de celkern regelt alles wat er in de cel gebeurd.
Om de celkern ligt ook een dun vlies het kernmembraan.
In het cytoplasma komen ook vacuolen voor dat zijn blaasjes gevuld met vocht.
Het cytoplasma vormt een stevig laagje om de cel heen de celwand.
De celwand is een tussencelstof en behoort niet tot de cel.
De vorming van nieuwe lichaamscellen gaat bij bijna alle organisme op dezelfde
manier.
Eerst deelt de celkern zich in 2e (kerndeling)
Daarna deelt de cel zich in 2e (celdeling)
Er zijn dan uit de moedercel 2 nieuwe dochtercellen ontstaan.
Daarna wordt er cytoplasma bijgevormd waardoor de cellen even groot worden als
de moedercel.
Deze celdeling wordt gewone celdeling of mitose genoemd.
biologisch onderzoek doen:
● probleemstelling
, ● onderzoeksvraag
● veronderstelling
● verwachting
● werkplan
● onderzoek uitvoeren
● conclusie
thema 2 ordening
organisme delen we in in 4 rijken:
● bacteriën
, ● schimmels
● planten
● dieren
Er zijn ook eencellige organisme bijvoorbeeld bacterien.
Organisme behoren tot 1 soort als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen
maken.
De afdeling geleedpotige wordt verdeeld in 4 klassen:
duizendpoten, kreeftachtige, spinachtigen en insecten.
De kenmerken van geleedpotigen zijn:
Dat ze opgebouwd zijn uit kleine stukjes, een uitwendig skelet hebben en soms
vervellen.
De afdeling gewervelden verdelen we in 5 klassen:
vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren.
De gewervelden zijn van elkaar te onderscheiden door:
● de huid het kan schubben, kieuwen, veren of haren hebben
● de lichaamstemperatuur kan koud of warmbloedig zijn
● de ademhalingsorganen kunnen kieuwen, de huid of longen zijn
● de manier van voortplanten veel gewervelde leggen eieren
● het milieu waarin ze leven
thema 3 voortplanting