Hoofdstuk 7
Minder dan 0,03% van het water aanwezig op aarde is opgeslagen in de atmosfeer. Als dit allemaal
tegelijk zou neervallen als regen zou het het aardoppervlak voor 2,5cm bedekken.
Water is de enige voorkomende substantie dat natuurlijk voorkomt in alle drie de fasen: vast,
vloeibaar en gas. Wanneer water wordt omgezet van de ene fase naar de andere fase helpt de
warmte-energie die vrijkomt of wordt opgeslagen met de algemene circulatie van de atmosfeer
(30%) van het. Dit stuurt weer het dagelijkse weersysteem op aarde.
De polariteit van water trekt atomen naar elkaar aan. De positieve waterstof kant naar de negatieve
zuurstof kant, dit wordt ook wel waterstofbinding genoemd. De polariteit verklaart waarom zoveel
substanties in water oplossen. Hierdoor is het ook moeilijk om puur water op aarde te vinden. De
waterstofbinding creëert een oppervlaktespanning en een capillariteit elke molecuul trekt aan het
molecuul ernaast. De capillaire werking is een belangrijk component van
bodemvochtigheidsprocessen.
Foehn (Fohn) winden verdampen sneeuw snel door sublimering.
IJskristallen hebben altijd een hexagoon-structuur, met zes kanten dus.
Onder een temperatuur van 4°C gedraagt water zich anders dan andere stoffen. Het zet uit in plaats
van dat het krimpt. Het zet uit in volume, maar het neemt af in dichtheid. Dit proces gebeurt tot de
temperatuur van -29°C. Hierbij is een toename van het volume van 9% mogelijk.
Dit is de reden dat ijs drijft op water, de dichtheid van ijs is kleiner dan water. De dichtheid van ijs kan
nog wel verschillen, afhankelijk van hoe oud de lucht is die in het ijs zit. Een resultaat hiervan is dat
bij een ijsberg 14% is blootgesteld en 86% onder water is. Onderwaterijs van een ijsberg smelt sneller
dan het blootgestelde ijs. Dit maakt een ijsberg onstabiel en zorgt ervoor dat hij omvalt.
De latente warmte van ijs dat transformeert in water is 80 calorieën, andersom ook.
De latente warmte van verdamping en condensatie van waterelementen is 540 calorieën.
In vloeibare toestand komt er per 1°C stijging 1 calorie bij.
Van vast vorm naar vloeibare vorm tot gas worden er 720 calorieën geabsorbeerd. Andersom
worden er 720 calorieën vrijgelaten. (80 + 100 + 540 = 720)
Waterdamp is ook een belangrijke broeikasgas. Het is verschillend van de andere broeikasgassen, in
dat de concentratie van waterdamp afhankelijk is van de temperatuur. Wanneer de temperatuur
stijgt, stijgt ook de concentratie van dit broeikasgas.
Vochtigheid = De hoeveelheid waterdamp in de lucht.
Relatieve vochtigheid = hoeveelheid waterdamp in de lucht/maximale hoeveelheid waterdamp dat
mogelijk is in de lucht x 100 = … %
Verzadigingsevenwicht = De snelheid van verdamping en condensatie in balans.
Dauwpunt temperatuur = Wanneer een waterdamp bevattend luchtdeeltje verzadigd raakt en het
dus condenseert en een waterdruppel vormt.
Vorstpunt = Wanneer de temperatuur onder het vriespunt liggen. Het waterdamp bevattend
luchtdeeltje raakt verzadigd op het vorstpunt en vormt vorst op het oppervlak.