Hoofdstuk 11
Arctische temperaturen stijgen op dit moment twee keer zo snel als de temperaturen op de
middenbreedtegraden. De snelle stijging van temperaturen zorgen ervoor dat in het arctisch gebied
de permafrost aan het dooien is het landoppervlak verandert, het zakt in en stort ineen. Dit zorgt
er vervolgens voor dat gebouwen en het bodemmateriaal van bossen en kustlijnen beschadigd raken.
Bij het vervallen van het bodemmateriaal komen grote hoeveelheden koolstof (CO 2 en CH4) vrij in de
atmosfeer. Dit heeft grote invloeden op het klimaat en speelt mee met de versnelde
klimaatverandering van dit moment.
Permafrost = bodemmateriaal of sediment dat langer dan twee jaar achter elkaar bevroren is.
The actieve laag (the active layer) = De laag die seizoensgebonden bevroren is en daarbij planten en
dierlijk materiaal gevangen houdt. Deze materialen blijven door de bevriezing intact en op die manier
worden er grote hoeveelheden koolstof opgeslagen in deze laag.
Wanneer het permafroost dooit vindt er een proces plaats van microbiële respiratie. In een
anaerobische omgevingen zal het permafrost veel methaan vrijlaten.
Koolstofdioxide (CO2) en methaan (CH4) absorberen uitgaande langgolvige radiatie en stralen het
terug naar de aarde. Door vele van deze deeltjes in de lucht tegenwoordig wordt het broeikaseffect
versterkt. Methaan is nog eens 20 keer zo effectief in het vasthouden van atmosferische warmte dan
koolstofdioxide.
Positieve feedback cirkel: temperatuur stijgt permafrost dooit het vrijkomen van CO2 en CH4 in
de atmosfeer temperatuur stijgt nog meer permafrost dooit nog meer.
Zo gaat deze cirkel door. Er is sprake van positieve feedback omdat het proces zichzelf bevorderd.
Fysiek bewijs van de opwarming van de aarde: Record brekende hoge gemiddelde temperaturen van
de lucht, landoppervlakken, meren en oceanen; het verdwijnen van berggletsjers en ijskappen; de
afnemende vochtigheid in bodems misoogst; het veranderen van de distributie van dieren en
planten op aarde; de globale stijging van de zeespiegel; verhoogde vochtigheid van de lucht.
Natuurlijke processen die het broeikaseffect beïnvloeden: ontgassing (het vrijkomen van gevangen
gassen in materialen), microbiële en planten respiratie en de decompositie van leven op het land en
in de oceanen.
Antropogene processen die het broeikaseffect beïnvloeden: Het verbranden van fossiele
brandstoffen (kool, olie en gas) en een secundair effect van dit is de stukken land die hier voor
worden opgeofferd en verbrand.
Sinds 1950 is er een enorme mondiale bevolkingsgroei gaande, dit zorgt voor steeds meer CO 2 in de
lucht. Hierdoor wordt het broeikaseffect dus meer beïnvloed.
Charles David Keeling (1953) was begonnen met het verzamelen van CO 2 in de atmosfeer in
Californië. In 1958 deed hij hetzelfde maar dan in Hawaï. De metingen hiervan is nu een van de
meest belangrijke dataset van de 20e eeuw keeling curve. Deze curve laat zien dat er in mei de
minste CO2 uitstoot is in de atmosfeer. Dit valt te verklaren door de groei van vegetatie in deze
periode die het CO2 opneemt. In oktober is er juist de meeste uitstoot van CO 2, omdat de vegetatie
dan is ‘slaapstand’ is waardoor de CO2 zich kan ophopen in de atmosfeer.