Paragrafen: 9.1.3, 10.2.4, 10.3.1, 12.1.1, 12.1.3, 13.1.1, 13.2.1, 13.2.2, 13.2.5, 13.3.1, 15.2.1
1.1 De cognitieve ontwikkeling tijdens de schoolfase (volgens o.a. Piaget en Vygotsky)
Derde fase van de cognitieve ontwikkeling volgens Piaget
Concreet operationele fase: de periode tussen 7-12 jaar oud die wordt gekenmerkt
door het actieve en juiste gebruik van logica
De overgang van de preoperationele fase naar de concreet operationele fase uit zich vaak in
dat ze conservatie problemen wel kunnen oplossen maar niet kunnen verwoorden waarom
dat zo is. Wanneer er dus gevraagd wordt naar de logica achter hun antwoord zeggen ze
vaak “Gewoon, daarom”
Daarna krijgen ze de vaardigheden:
Decentreren: het vermogen om rekening te houden met verschillende aspecten in een
situatie. Dit kunnen ze omdat ze in deze fase leren minder egocentrisch te zijn
Reversibiliteit: het vermogen een uitgevoerde handeling (in gedachten) terug te draaien
(Een slang die van een bal klei gemaakt is kan ook weer een bal klei worden)
Ze blijven wel vast zitten in de concrete, fysieke realiteit en kunnen niet verder denken dan
dat (hypothetische en abstracten vragen begrijpen ze niet)
Vygotsky’s visie op de cognitieve ontwikkeling:
De manier waarop verschillende culturen en samenlevingen problemen benaderen heeft
invloed op de cognitieve ontwikkeling
= kinderen leren door geleide participatie, het is een resultaat van sociale interactie tussen volwassen
mentoren, ouders en leeftijdsgenoten
= kinderen nemen de vaardigheden die in hun cultuur van belang zijn van anderen over
Zone van naaste ontwikkeling: het niveau waarop een kind een taak bijna, maar nog niet
helemaal zelfstandig kan begrijpen of uitvoeren. Daarvoor is nog de hulp van een
competenter persoon nodig.
Scaffholding: de ondersteuning bij leren en probleemoplossing die de zelfstandigheid en groei
bevordert
Piaget zag kinderen als onafhankelijk en egocentrisch, die alleen de wereld proberen te begrijpen en
Vygotsky zag kinderen als afhankelijk van hun cultuur en sociale interactie die door samenwerken
met anderen de wereld leren begrijpen
1.2 De persoonlijkheidsontwikkeling en identiteit tijdens de schoolfase
De psychosociale ontwikkeling Erikson
Crisis in de schooltijd: Vlijt vs Minderwaardigheid
= periode van 6-12 jaar waarin het kind probeert competenties te ontwikkelen om problemen met
ouders, leeftijdsgenoten, school en de wereld om hen heen het hoofd te kunnen bieden
Vlijt: Succes in dit stadium leidt tot gevoelens van competentie en bekwaamheid, doordat ze
goed zijn in schoolvaardigheden en goed in de sociale groep vallen
Minderwaardigheid: Moeilijkheden in dit stadium leiden tot gevoelens van mislukkeling en
onvermogen, wanneer ze dus falen op school en sociaal, trekken kinderen zich terug en doen
minder hun best
(bekwaamheid vs onbekwaamheid; waar ben ik goed in?)