Syllabus
1. Thema 1: Hominisatie – humanisatie
1.1. “Cultureel gedrag”
Gedrag omvat elke praktijk die ontstaat door een samenspel van inwendige motivatie en
uitwendige prikkels.
Kan aangeboren of aangeleerd zijn
o Aangeboren of instinctief gedrag = via onze genen erfelijk bepaald
o Aangeleerd of cultureel gedrag = ontstaat uit ervaring
Cultureel gedrag is dus het gedrag dat niet aangeboren is, maar in de loop v/e leven
verworven wordt door het te leren
o Staat los v/h proces v/d biologische evolutie; dus verandering hierin kan op
andere ritmes plaatsvinden
Diversiteit en variatie in tijd en ruimte binnen 1 soort zijn daarom
uitgesproken kenmerken van cultureel gedrag
Alles wat door dit aangeleerd gedrag wordt voortgebracht noemen we cultuur
o Voor de archeologie is materiele cultuur het belangrijkste bronnenmateriaal om
cultureel gedrag i/h verleden te reconstrueren
o De soorten die dit hebben voortgebracht zijn bijna per definitie in het geslacht
Homo ondergebracht
Biologisch onderscheiden de vroegste Homo-soorten zich nochtans
nauwelijks van verwante soorten die (blijkbaar) geen artefacten maakten
1.2. Het geslacht Homo
We kunnen binnen het genus zowat 14 soorten onderscheiden. Er is dus in het geval van
soortvorming (speciatie) ook altijd een grijze zone waarin subpopulaties ver uit elkaar
groeien, maar in sommige gevallen met elkaar toch nog vruchtbare kinderen kunnen hebben.
1.3. Lichaamsbouw van homininen
Om materiele cultuur te produceren heb je een aantal “handigheden” nodig > biologische
kenmerken en vermogens van primaten en homininen. De kenmerken zijn gewoon
geselecteerd geraakt als geschikte aanpassingen aan omgevingen waarin primaten zich
ophielden of terecht kwamen.
1.3.1. Handen
Het beschikken over grijphanden met opponeerbare duim is een gemeenschappelijk
kenmerk van primaten. In de loop v/d ontwikkeling v/h geslacht Homo is de grijpfunctie wel
verder verfijnd.
1