Regiem: het aantal water per jaar dat de rivier afvoert. > regelmatiger of onregelmatiger.
HOOFDSTUK 1:
Kenmerken van de kust:
De Nederlandse kustbodem kenmerkt zich door grote dynamiek (beweging). Water en zand
stromen voortdurend het kustgebied in en uit. Natuurlijke kustprocessen aan de
Nederlandse kust dragen bij aan de opbouw en afbraak van de kust. Bij gunstige
omstandigheden wordt er vooral zand aangeveord naar de kust (opbouw). Bij harde wind of
hoge golven kan de zee stukken van de kust weg slaan (afbouw). De zeestroming is de
overheersende richting waarin het water zich langs de kust verplaatst.
De kust van Nederland is vooral zachte kust, omdat hij grotendeels is opgebouw dyut zand
en dit verplaatst zich makkelijk. Hierbij horen de volgende kenmerken:
Strandwallen > golven op zee worden in beweging gebracht. Het zand wordt op de
kust geslagen door de golven. Zo ontstaan parallel aan de kust brede zandbanken.
Duinen > heuvels van zand aan de kust, gevormd door wind. Duinen zijn natuurlijke
bescherming tegen de zee. Worden ook gebruikt voor recreatie en
drinkwaterwinning.
Wadden > laaggelegen kustgebieden, waarvan een groot oppervlak bij eb droogvalt
en bij vloed weer onderloopt. In Nederland tussen waddeneilanden en vaste land.
Estuaria > een estuarium is een trechtervormige uitmonding van een rivier in de zee.
Ontstaat door getijdenwerking. Er is hier sprake van mengeling zoet/zout water.
Een kust met rotsen of zeedijken kent veel minder dynamiek en wordt een harde kust
genoemd. Een zeedijk is eendijk die lange de kust of labgs de monding van de rivier is
gebouwd om te berschermen tegen zee. Harde kust komt niet in beweging.
Harde kust hebben we in Nederland op plekken waar zachte bodem niet genoeg
bescherming biedt tegen de zee:
Zeedijken io zwakke plekken in de duinen.
Zeedijken waar geen duinen zijn.
Dammen om gevaarlijke zeestromen af te sluiten (Afsluitdijk).
De eb en vloed stromen noemen we getijdenwerking. Vloed stroom is altijd sterker dan eb
stroom. Komt omdat zee in zelfde richting gaat als vloedstroming. Hierdoor neemt water
meer mee dan het terugneemt.
Waterbeleid van Nederlandse overheid:
Nederlands overheid heeft twee organen aangesteld om het waterbeheer te regelen.
De waterscappen. Regionale overheidsorganen. Verantwoordelijk voor
waterkwaliteit, de samenstelling van grondwater en oppervlaktewater. De
waterkwantiteit, op peil houden van de hoogte van het oppervlakte water in gebeid.
Rijkswaterstaat. Overheidsdienst van Minesterie. Zorgt voor aanleg en onderhoud
van waterwegen, voorkomen van overstromingen.
Na 1995 was er gevaar voor overstromingen, daarom de nota ‘ruimte voor de rivier’
gekomen. Het doel hiervan is om overstromingen tegen te gaan.
, Voor 1995 werd vooral dijkverzwaring en dijkverhoging toegepast. In de nota ruimte voor de
rivier gaat het niet persee om dijkverbetering maar om rivierbedverruiming.
9 maatregelen:
Kribverlaging > door verlagen kribben stroomt water sneller door.
Waterberging > tijdelijk opslaan van water in overloopgebied.
Ontpoldering > dijk aan de rivierzijde van polder wordt meer landinwaarts gelegd.
Nevengeul > kanaal naast de rivier, bij hoogwater kan deel rivier afvoeren.
Dijkverbetering > verhogen en verzwaren van dijken.
Zomerbedverlaging > rivierbedding wordt verdiept, hierdoor meer ruimte voor rivier.
Uiterwaadevergraving > afgraven van delen uiterwaarde.
Verwijderen obstakels > bruggen, bomen verwijderen kan water sneller afgevoerd.
Dijkerverlegging (verbreden uiterwaarde) > winterdijken verder weg geplaatst.
Drietrapsstrategie:
Vasthouden > bosjes, gras, tegengaan verstening zodat vertragingstijd toeneemt.
Bergen > noodoverloopgebieden, bij hoge waterstand.
Afvoeren > in de uiterwaarden moeten zoveel mogelijk obstakels verwijderd.
Vasthouden en berging zoveel mogelijk stroomopwaarts, dan profiteert er een groter deel
van het stroomgebied van en kleine overstromingsrisico. Maatregelen in Limburg zijn ook
nuttig voor bijvoorbeeld Zuid-Holland.
HOOFDSTUK 1:
Kenmerken van de kust:
De Nederlandse kustbodem kenmerkt zich door grote dynamiek (beweging). Water en zand
stromen voortdurend het kustgebied in en uit. Natuurlijke kustprocessen aan de
Nederlandse kust dragen bij aan de opbouw en afbraak van de kust. Bij gunstige
omstandigheden wordt er vooral zand aangeveord naar de kust (opbouw). Bij harde wind of
hoge golven kan de zee stukken van de kust weg slaan (afbouw). De zeestroming is de
overheersende richting waarin het water zich langs de kust verplaatst.
De kust van Nederland is vooral zachte kust, omdat hij grotendeels is opgebouw dyut zand
en dit verplaatst zich makkelijk. Hierbij horen de volgende kenmerken:
Strandwallen > golven op zee worden in beweging gebracht. Het zand wordt op de
kust geslagen door de golven. Zo ontstaan parallel aan de kust brede zandbanken.
Duinen > heuvels van zand aan de kust, gevormd door wind. Duinen zijn natuurlijke
bescherming tegen de zee. Worden ook gebruikt voor recreatie en
drinkwaterwinning.
Wadden > laaggelegen kustgebieden, waarvan een groot oppervlak bij eb droogvalt
en bij vloed weer onderloopt. In Nederland tussen waddeneilanden en vaste land.
Estuaria > een estuarium is een trechtervormige uitmonding van een rivier in de zee.
Ontstaat door getijdenwerking. Er is hier sprake van mengeling zoet/zout water.
Een kust met rotsen of zeedijken kent veel minder dynamiek en wordt een harde kust
genoemd. Een zeedijk is eendijk die lange de kust of labgs de monding van de rivier is
gebouwd om te berschermen tegen zee. Harde kust komt niet in beweging.
Harde kust hebben we in Nederland op plekken waar zachte bodem niet genoeg
bescherming biedt tegen de zee:
Zeedijken io zwakke plekken in de duinen.
Zeedijken waar geen duinen zijn.
Dammen om gevaarlijke zeestromen af te sluiten (Afsluitdijk).
De eb en vloed stromen noemen we getijdenwerking. Vloed stroom is altijd sterker dan eb
stroom. Komt omdat zee in zelfde richting gaat als vloedstroming. Hierdoor neemt water
meer mee dan het terugneemt.
Waterbeleid van Nederlandse overheid:
Nederlands overheid heeft twee organen aangesteld om het waterbeheer te regelen.
De waterscappen. Regionale overheidsorganen. Verantwoordelijk voor
waterkwaliteit, de samenstelling van grondwater en oppervlaktewater. De
waterkwantiteit, op peil houden van de hoogte van het oppervlakte water in gebeid.
Rijkswaterstaat. Overheidsdienst van Minesterie. Zorgt voor aanleg en onderhoud
van waterwegen, voorkomen van overstromingen.
Na 1995 was er gevaar voor overstromingen, daarom de nota ‘ruimte voor de rivier’
gekomen. Het doel hiervan is om overstromingen tegen te gaan.
, Voor 1995 werd vooral dijkverzwaring en dijkverhoging toegepast. In de nota ruimte voor de
rivier gaat het niet persee om dijkverbetering maar om rivierbedverruiming.
9 maatregelen:
Kribverlaging > door verlagen kribben stroomt water sneller door.
Waterberging > tijdelijk opslaan van water in overloopgebied.
Ontpoldering > dijk aan de rivierzijde van polder wordt meer landinwaarts gelegd.
Nevengeul > kanaal naast de rivier, bij hoogwater kan deel rivier afvoeren.
Dijkverbetering > verhogen en verzwaren van dijken.
Zomerbedverlaging > rivierbedding wordt verdiept, hierdoor meer ruimte voor rivier.
Uiterwaadevergraving > afgraven van delen uiterwaarde.
Verwijderen obstakels > bruggen, bomen verwijderen kan water sneller afgevoerd.
Dijkerverlegging (verbreden uiterwaarde) > winterdijken verder weg geplaatst.
Drietrapsstrategie:
Vasthouden > bosjes, gras, tegengaan verstening zodat vertragingstijd toeneemt.
Bergen > noodoverloopgebieden, bij hoge waterstand.
Afvoeren > in de uiterwaarden moeten zoveel mogelijk obstakels verwijderd.
Vasthouden en berging zoveel mogelijk stroomopwaarts, dan profiteert er een groter deel
van het stroomgebied van en kleine overstromingsrisico. Maatregelen in Limburg zijn ook
nuttig voor bijvoorbeeld Zuid-Holland.