• afhankelijke variabele: wat de onderzoeker meet/waarneemt als gevolg van wat hij
varieert
• onafhankelijke variabele: wat de onderzoeker zelf varieert
• dubbelblind onderzoek: arts geeft medicijn of nep medicijn zonder dat hij weet wie wat
krijgt 1 persoon weet wie wat krijgt en kan het later in groepen verdelen van wie wel/niet
geneest en kijken of het werkt
• blind onderzoek: arts geeft de ene helft een medicijn en de ander een neppe
• placebo: genezing door geloof in het medicijn
• kwantitatief onderzoek: proberen door tellingen achter het antwoord te komen
• kwalitatief onderzoek: je toont aan of iets aanwezig is of niet (zonder
tellen/meten/wegen)
• indicatoren: gebruik je als je wilt weten of er bepaalde moleculen aanwezig zijn geven
kleur
• lijndiagram: gebruik je om het verband tussen een afhankelijke en onafhankelijke
variabele weer te geven
• staafdiagram: je geeft het verband weer tussen variabelen, als de onafhankelijke
variabele geen continue reeks getallen is
• histogram: gebruik je om aantallen/percentages per groep weer te geven
• strooidiagram: gebruik je om 2 metingen weer te geven die je aan één object (persoon)
doet, waarbij geen sprake is van een (on)afhankelijke variabele