Present simple (tegenwoordige tijd): wordt gebruikt als iets een gewoonte of een feit is of als iets regelmatig (niet) gebeurt. In
het laatste geval komen vaak woorden voor als usually, often, always, never, sometimes voor in de zin.
I always go to school by bike.
Present continuous: wordt gebruikt als iets nú gebeurt, iets in de nabije toekomst plaatsvindt of je je ergert aan iets dat vaak
gebeurd (vaak met always).
I am reading a book. I am meeting him this afternoon. He’s always doing his homework.
Present perfect: om te zeggen dat iets gebeurd is en tot het heden voorduurt of net voor het moment van spreken afgelopen is.
Has/have + voltooid deelwoord
bij onregelmatige werkwoorden has/have + de vorm van het woord
Past simple: iets dat in het verleden is gebeurd en afgelopen is (vaak tijdsaanduiding als yesterday).
Bij regelmatige werkwoorden +(e)d en onregelmatige werkwoorden de eigen vorm
Irregular verbs
Hele werkwoord Verleden tijd Voltooid deelwoord Nederlands
(infinitive) (past simple) (past participle)
To awake Awoke Awoken Ontwaken
To be Was/were Been Zijn/worden
To bear Bore Borne Verdragen
To beat Beat Beaten (ver)slaan
To become Became Become Worden
To begin Began Begun Beginnen
To bend Bent Bent Buigen
To bet Bet Bet Wedden
To bind Bound Bound Binden
To bite Bit Bitten Bijten
To bleed Bled Bled Bloeden
To blow Blew Blown Blazen/waaien
To break Broke Broken Breken
To breed Bred Bred Opvoeden/fokken
To bring Brought Brought Brengen
To broadcast Broadcast Broadcast Uitzenden
To build Built Built Bouwen
To burn Burn Burnt (Ver)branden
To burst Burst Burst Barsten
To buy Bought Bought Kopen
To catch Caught Caught Vangen
To choose Chose Chosen Kiezen
To come Came Come Komen
To cost Cost Cost Kosten
To cut Cut Cut Snijden/knippen
To deal Dealt Dealt Zaken doen/(uit)delen
To dig Dug Dug Graven
To do Did Done Doen
To draw Drew Drawn Trekken/tekenen
To dream Dreamt Dreamt Dromen
To drink Drank Drunk Drinken
To drive Drove Driven Rijden (auto)
To eat Ate Eaten Eten
To fall Fell Fallen Vallen
To feed Fed Fed Voeden, voeren
To feel Felt Felt Voelen
To fight Fought Fought Vechten
To find Found Found Vinden
To flee Fled Fled Vluchten
To fly Flew Flown Vliegen
to forbid Forbade Forbidden Verbieden
To forecast Forecast Forecast Voorspellen
To forget Forgot Forgotten Vergeten
To forgive Forgave Forgiven Vergeven
To freeze Froze Frozen (Be)vriezen
To get Got Got Krijgen/worden
To give Gave Given Geven
To go Went Gone Gaan
To grow Grew Grown Groeien/worden
To hang Hung Hung (Op)hangen
To have Had Had Hebben
To hear Heard Heard Horen
To hide Hid Hidden Verbergen