M2: Zorg & Begeleiding
1VRK4: Fysiologie, zorg & begeleiding
1 Celleer
Inleiding
Cytologie= leer van de cellen
Cel= kleinste levende(anatomische & fysiologische) eenheid in menselijk lichaam(±10.000
miljard in lichaam)
-Functies: metabolisme(stofwisseling), reageren op prikkels, reproductie(voorplanting)
-Cellen gevormd door deling van reeds bestaande cellen
-homeostase(in evenwicht houden)!
-= bouwstenen van dieren & planten
Algemene bouw van cel
Celmembraan / plasmamembraan(1)
celsap / cytoplasma(2)
celkern / nucleus (3)
Celmembraan
= dun , bevat vetten, eiwitten & koolhydraten
Functies
Fysieke grens(=isolatie/barrière): scheidt binnenkant van de cel (intracellulair milieu ) van
omringende extracellulaire(milieu) vloeistof homeostase (evenwicht)!
structuur: celinhoud vasthouden stabiliteit van weefsels
transport: ionen & voedingsstoffen binnen én afvalstoffen verwijderen & klierproducten afgeven
-passief transport: geen extra energie nodig
o diffusie: beweging van deeltjes in vloeistof met concentratieverschil/ - gradiënt mee door
permeabel membraan(voll. doorlaatbaar).
Gelijke (evenredige) verspreiding van moleculen over beschikbare ruimte(van hoge
lage concentratie) bij permeabel (voll. doorlaatbaar) membraan: O2, CO2, ureum(in nier)
o Osmose: diffusie van water door semi-permeabel membraan naar kant met hoogste
osmotische waarde(=aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid: Water door semi-
permeabele membraan naar oplossing met hoogste concentratie opgeloste deeltjes.)
Semi-permeabel (selectief permeabel) membraan vrij doorlaatbaar voor water (alleen
watertransport door membraan), maar niet voor opgeloste deeltjes(gat in membraan te
klein voor doorlaten van andere stoffen).
o Filtratie: water & opgeloste stoffen doorheen membraan, afh. hydrostatische druk(=druk
die door water wordt uitgeoefend) (zie lymfe & urineproductie) ‘ik ben water’ik ben water’
1
, M2: Zorg & Begeleiding
1VRK4: Fysiologie, zorg & begeleiding
-Actief transport: energie (ATP: adenosinetrifosfaat) nodig, vesiculair transport: stoffen in
blaasjes, ontstaan bij plasmamembraan, versmelten met membraan & in / uit cel verplaatsen
o endocytose: buiten binnen
-fagocytose: vast deeltje(celeten)
-pino-cytose: vloeistof(celdrinken)
o exocytose: binnen buiten
Prikkelbaarheid/ gevoeligheid: reageren op veranderingen van extracecellulair milieu, oa op
celmembraan: cel herkent specifieke molecule erop reageren (weefselleer, spiercontractie)
communicatie tussen cellen (vb. desmosomen)
Bouw van celmembraan (= fosfolipide dubbellaag)
dubbele laag fosfolipiden: vetoplosbaar (hydrofoob) deel(=staart) wijzen naar elkaar toe &
fosforgroep (=kop)aan buitenzijde (hydrofiel & barrière voor wateroplosbare stoffen)
cholesterol-moleculen tussen vetzuurstaarten bepalen vloeibaarheid van celmembraan
eiwitklompjes:
-volle/ halve breedte van membraan
-als ijsbergen in zee: drijven van ene naar andere plaats langs oppervlakte
-receptoren(=ontvangers): extracellulaire stoffen die zich aan EW binden activiteiten wijzigen
-transport-proteïnen: binden aan opgeloste stoffen & vervoeren door membraan(soms E nodig)
-celporiën(=kanaaleiwit): water, ionen & opgeloste stoffen door vetgedeelte van membraan
Suikers aan buitenzijde van celmembraan maken celmembraan herkenbaar(!immuunsysteem)
2
1VRK4: Fysiologie, zorg & begeleiding
1 Celleer
Inleiding
Cytologie= leer van de cellen
Cel= kleinste levende(anatomische & fysiologische) eenheid in menselijk lichaam(±10.000
miljard in lichaam)
-Functies: metabolisme(stofwisseling), reageren op prikkels, reproductie(voorplanting)
-Cellen gevormd door deling van reeds bestaande cellen
-homeostase(in evenwicht houden)!
-= bouwstenen van dieren & planten
Algemene bouw van cel
Celmembraan / plasmamembraan(1)
celsap / cytoplasma(2)
celkern / nucleus (3)
Celmembraan
= dun , bevat vetten, eiwitten & koolhydraten
Functies
Fysieke grens(=isolatie/barrière): scheidt binnenkant van de cel (intracellulair milieu ) van
omringende extracellulaire(milieu) vloeistof homeostase (evenwicht)!
structuur: celinhoud vasthouden stabiliteit van weefsels
transport: ionen & voedingsstoffen binnen én afvalstoffen verwijderen & klierproducten afgeven
-passief transport: geen extra energie nodig
o diffusie: beweging van deeltjes in vloeistof met concentratieverschil/ - gradiënt mee door
permeabel membraan(voll. doorlaatbaar).
Gelijke (evenredige) verspreiding van moleculen over beschikbare ruimte(van hoge
lage concentratie) bij permeabel (voll. doorlaatbaar) membraan: O2, CO2, ureum(in nier)
o Osmose: diffusie van water door semi-permeabel membraan naar kant met hoogste
osmotische waarde(=aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid: Water door semi-
permeabele membraan naar oplossing met hoogste concentratie opgeloste deeltjes.)
Semi-permeabel (selectief permeabel) membraan vrij doorlaatbaar voor water (alleen
watertransport door membraan), maar niet voor opgeloste deeltjes(gat in membraan te
klein voor doorlaten van andere stoffen).
o Filtratie: water & opgeloste stoffen doorheen membraan, afh. hydrostatische druk(=druk
die door water wordt uitgeoefend) (zie lymfe & urineproductie) ‘ik ben water’ik ben water’
1
, M2: Zorg & Begeleiding
1VRK4: Fysiologie, zorg & begeleiding
-Actief transport: energie (ATP: adenosinetrifosfaat) nodig, vesiculair transport: stoffen in
blaasjes, ontstaan bij plasmamembraan, versmelten met membraan & in / uit cel verplaatsen
o endocytose: buiten binnen
-fagocytose: vast deeltje(celeten)
-pino-cytose: vloeistof(celdrinken)
o exocytose: binnen buiten
Prikkelbaarheid/ gevoeligheid: reageren op veranderingen van extracecellulair milieu, oa op
celmembraan: cel herkent specifieke molecule erop reageren (weefselleer, spiercontractie)
communicatie tussen cellen (vb. desmosomen)
Bouw van celmembraan (= fosfolipide dubbellaag)
dubbele laag fosfolipiden: vetoplosbaar (hydrofoob) deel(=staart) wijzen naar elkaar toe &
fosforgroep (=kop)aan buitenzijde (hydrofiel & barrière voor wateroplosbare stoffen)
cholesterol-moleculen tussen vetzuurstaarten bepalen vloeibaarheid van celmembraan
eiwitklompjes:
-volle/ halve breedte van membraan
-als ijsbergen in zee: drijven van ene naar andere plaats langs oppervlakte
-receptoren(=ontvangers): extracellulaire stoffen die zich aan EW binden activiteiten wijzigen
-transport-proteïnen: binden aan opgeloste stoffen & vervoeren door membraan(soms E nodig)
-celporiën(=kanaaleiwit): water, ionen & opgeloste stoffen door vetgedeelte van membraan
Suikers aan buitenzijde van celmembraan maken celmembraan herkenbaar(!immuunsysteem)
2