Proeftentamen Beleid en Besluitvorming deel 1
Onderdeel ‘beleid’
1. a) In de colleges zijn drie beleidswetenschappelijke benaderingen
onderscheiden. Eén daarvan is de rationalistische benadering. Bespreek kort
twee kenmerken van deze benadering.
b) In hoofdstuk 1 ('Beleid, processen en effecten') van Hoogerwerf &
Herweijer (2008) wordt een bepaalde omschrijving gegeven van het begrip
‘beleid’ (opgevat als 'beleidsinhoud'). Geef weer hoe deze omschrijving
ongeveer luidt en licht haar beknopt toe.
2. a) In hoofdstuk 11 ('Beleidsinstrumenten') van Hoogerwerf & Herweijer
(2008) wordt een onderscheid gemaakt in vier soorten problemen, waaronder
de ‘getemde problemen' en 'ontembare problemen'. Noem alle vier soorten
problemen en geeft van elk soort problemen een korte omschrijving.
b) In hoofdstuk 4 ('Beleidsvoorbereiding: het ontwerpen van beleid') van
Hoogerwerf & Herweijer (2008) wordt aangegeven dat de analyse van de
oorzaken en gevolgen van de probleemsituatie uiteindelijk dient uit te monden
in een causaal veldmodel. Geef een voorbeeld van een eenvoudig (eventueel
zelf te verzinnen) causaal veldmodel dat uit vier factoren (variabelen) bestaat.
3. a) In hoofdstuk 5 ('Beleidsbepaling') van Hoogerwerf & Herweijer (2008)
wordt aangegeven dat bij de beleidsbepaling vaak aandacht moet worden
besteed aan het bereiken van overeenstemming. Twee tijdsbesparende
methodes die daarbij kunnen worden gehanteerd, zijn het delegeren van
beslissingsbevoegdheid aan één persoon (delegatie) en het besluiten bij
meerderheidsregel. Geef voor elk van deze beide methodes aan voor welk
soort problemen de methode passend is.
b) In de colleges is behandeld dat bij de beleidsbepaling (c.q. het nemen
van beslissingen) op een formeel geldige manier moet worden geredeneerd.
Eén van die manieren is de modus tollens. Geef een (eventueel zelf verzonnen)
voorbeeld van een modus tollens.
4. a) In hoofdstuk 16 ('Regelgeving, regeltoepassing en rechtsbescherming')
van Hoogerwerf & Herweijer (2008) wordt aandacht besteed aan vijf soorten
ambtelijke uitvoeringsorganisaties. Eén daarvan is de system-level infocratie.
Noem ook de vier andere soorten uitvoeringsorganisaties en geef van elk soort
organisatie een korte omschrijving.
b) Beleid dat wordt uitgevoerd, moet voortdurend worden gemonitord.
Dunn (2002) beschrijft in zijn artikel dat bij monitoring van de effecten van
'socialtechnical experiments' sprake moet zijn van context validity. Bespreek
kort wat met het begrip 'context validity' wordt bedoeld.
5. a) In hoofdstuk 8 ('Evalueren van beleid') van Hoogerwerf & Herweijer
(2008) wordt behandeld dat één van de stappen bij het evalueren van beleid is
1
Onderdeel ‘beleid’
1. a) In de colleges zijn drie beleidswetenschappelijke benaderingen
onderscheiden. Eén daarvan is de rationalistische benadering. Bespreek kort
twee kenmerken van deze benadering.
b) In hoofdstuk 1 ('Beleid, processen en effecten') van Hoogerwerf &
Herweijer (2008) wordt een bepaalde omschrijving gegeven van het begrip
‘beleid’ (opgevat als 'beleidsinhoud'). Geef weer hoe deze omschrijving
ongeveer luidt en licht haar beknopt toe.
2. a) In hoofdstuk 11 ('Beleidsinstrumenten') van Hoogerwerf & Herweijer
(2008) wordt een onderscheid gemaakt in vier soorten problemen, waaronder
de ‘getemde problemen' en 'ontembare problemen'. Noem alle vier soorten
problemen en geeft van elk soort problemen een korte omschrijving.
b) In hoofdstuk 4 ('Beleidsvoorbereiding: het ontwerpen van beleid') van
Hoogerwerf & Herweijer (2008) wordt aangegeven dat de analyse van de
oorzaken en gevolgen van de probleemsituatie uiteindelijk dient uit te monden
in een causaal veldmodel. Geef een voorbeeld van een eenvoudig (eventueel
zelf te verzinnen) causaal veldmodel dat uit vier factoren (variabelen) bestaat.
3. a) In hoofdstuk 5 ('Beleidsbepaling') van Hoogerwerf & Herweijer (2008)
wordt aangegeven dat bij de beleidsbepaling vaak aandacht moet worden
besteed aan het bereiken van overeenstemming. Twee tijdsbesparende
methodes die daarbij kunnen worden gehanteerd, zijn het delegeren van
beslissingsbevoegdheid aan één persoon (delegatie) en het besluiten bij
meerderheidsregel. Geef voor elk van deze beide methodes aan voor welk
soort problemen de methode passend is.
b) In de colleges is behandeld dat bij de beleidsbepaling (c.q. het nemen
van beslissingen) op een formeel geldige manier moet worden geredeneerd.
Eén van die manieren is de modus tollens. Geef een (eventueel zelf verzonnen)
voorbeeld van een modus tollens.
4. a) In hoofdstuk 16 ('Regelgeving, regeltoepassing en rechtsbescherming')
van Hoogerwerf & Herweijer (2008) wordt aandacht besteed aan vijf soorten
ambtelijke uitvoeringsorganisaties. Eén daarvan is de system-level infocratie.
Noem ook de vier andere soorten uitvoeringsorganisaties en geef van elk soort
organisatie een korte omschrijving.
b) Beleid dat wordt uitgevoerd, moet voortdurend worden gemonitord.
Dunn (2002) beschrijft in zijn artikel dat bij monitoring van de effecten van
'socialtechnical experiments' sprake moet zijn van context validity. Bespreek
kort wat met het begrip 'context validity' wordt bedoeld.
5. a) In hoofdstuk 8 ('Evalueren van beleid') van Hoogerwerf & Herweijer
(2008) wordt behandeld dat één van de stappen bij het evalueren van beleid is
1