Het goede antwoord is geel gemarkeerd.
1. De vier domeinen van taal zijn:
Productief Receptief
Mondeling 1- Spreken 2- Luisteren
Schriftelijk 3- Schrijven 4- Lezen
2. Wat zijn literaire teksten?
A. Zijn voorspelbaar, bevatte goedkope humor en slecht uitgewerkte karakters.
B. Zijn vooral ontspannende en verzonnen verhalen, zoals romans, verhalen en poëzie.
C. Zijn kinderboeken speciaal gericht op de kennismaking van boeken.
Toelichting:
Niet-literaire teksten zijn voorspelbaar, bevatte goedkope humor en slecht uitgewerkte
karakters.
3. Leg de 5 afdelingen van literatuur uit:
- A-afdeling = voor lezers tot ongeveer 9 jaar: Hier liggen boeken voor kinderen die nog
niet zelfstandig kunnen lezen of voorgelezen moeten worden.
- B-afdeling = voor lezers van ongeveer 9 tot 12 jaar: Hier staan boeken over allerlei
verschillende thema’s, zoals fantasie.
- C-afdeling = voor lezers van ongeveer 12 tot 15 jaar: Dit zijn boeken voor het
voortgezet onderwijs. Het zijn vooral boeken over levensvragen voor kinderen in deze
leeftijdsgroep.
- D-afdeling = voor lezers van ongeveer 15 tot 25 jaar: Dit zijn boeken voor net geen
volwassenen, maar ook geen kinderen.
- J-afdeling = Op deze afdeling staan alle informatieve boeken.
4. Wat is een voorbeeld van een volkssprookje?
A. Roodkapje
B. Godfried Bomans
C. Kikker is verliefd
Toelichting:
Dit zijn sprookjes die bedacht zijn door anonieme mensen en dus niet door een auteur.
Het waren meestal verhalen die generaties door werden verteld en deze verhalen hadden
een pedagogische bedoeling.
5. Wat is incidenteel woordenschatonderwijs?
A. Er wordt doelgericht en gestructureerd gewerkt aan het uitbreiden van de
woordenschat. Vb. taalmethode
B. Woordenschat uitbreiden buiten de lessituatie om. Vb. voorlezen of levende
prentenboeken
6. Wat is het mentale lexicon?
A. De koppeling van visueel naar betekenis is geautomatiseerd.
, B. Woorden worden niet los opgeslagen in het hoofd, maar in laatjes die op de een of
andere manier bij elkaar horen.
C. Redekundig ontleden
Toelichting:
Het mentale lexicon hoort bij het langetermijngeheugen. Hier worden alle woorden die we
onthouden opgeslagen. Van elk woord worden er verschillende eigenschappen bewaard.
7. Wat hoort bij elkaar? Trek een lijn.
- Syntactische informatie (wat het woord betekent)
- Morfologische informatie (Hoe het klinkt)
- Akoestische informatie (Hoe het kan worden verbogen)
- Semantische informatie (Hoe het wordt gebruikt in de zin)
8. Wat zijn vrije morfemen?
A. Woorden als be, ge en ver
B. Woorden als brood, geluk of gaan.
C. Woorden als lopen en fetsen
Toelichting:
Deze woorden hebben een eigen basis.
9. Wat zijn afeidingen?
A. Woorden die uit delen bestaan, dus los van elkaar ook een woord zijn.
B. Woorden die een toevoeging (afx) hebben.
C. Woorden met een eigen basis.
Toelichting:
Bijvoorbeeld on-juist, pracht-ig of natuur-lijk.
10. Wat zijn samenstellingen?
A. Woorden die uit delen bestaan, dus los van elkaar ook een woord zijn.
B. Woorden met een eigen basis.
C. Woorden die een toevoeging (afx) hebben.
Toelichting:
Bijvoorbeeld broodrooster of tafelpoot.
11. Als je een toets afneemt. Waar moet die toets dan aan voldoen?
A. Objectiviteit, betrouwbaarheid en validiteit
B. De toets moet concreet zijn en te snappen voor elke leerling.
C. De toets moet aansluiten op de belevingswereld van het kind.
Toelichting:
- Objectiviteit: Er zijn duidelijke normeringswaarden die aangeven wanneer iets goed of
fout is.
- Betrouwbaarheid: De uitslag van een toets is ongeveer hetzelfde als je de toets twee
keer door dezelfde leerling laat maken.
- Validiteit: De toets toetst wat er getoetst moet worden.
12. Wat is een voorbeeld van een divergente vraag?
A. Waarom groeien planten naar het licht?
B. Wat vind jij van deze presentatie?
C. Hoe kan het kappen van regenwouden gestopt worden?
Toelichting:
Deze vragen gaan uit elkaar. > Zijn meerdere antwoorden op mogelijk. Geen specifek
antwoord op mogelijk.
13. Welke 4 complexe taalfuncties worden aangeboden op school?
A. Lezen, spreken, luisteren en debatteren.