Oefenvragen portaal
1. De vier domeinen van taal zijn:
Productief Receptief
Mondeling 1- 2-
Schriftelijk 3- 4-
2. Wat zijn literaire teksten?
A. Zijn voorspelbaar, bevatte goedkope humor en slecht uitgewerkte karakters.
B. Zijn vooral ontspannende en verzonnen verhalen, zoals romans, verhalen en poëzie.
C. Zijn kinderboeken speciaal gericht op de kennismaking van boeken.
3. Leg de 5 afdelingen van literatuur uit:
- A-afdeling =
- B-afdeling =
- C-afdeling =
- D-afdeling =
- J-afdeling =
4. Wat is een voorbeeld van een volkssprookje?
A. Roodkapje
B. Godfried Bomans
C. Kikker is verliefd
5. Wat is incidenteel woordenschatonderwijs?
A. Er wordt doelgericht en gestructureerd gewerkt aan het uitbreiden van de
woordenschat. Vb. taalmethode
B. Woordenschat uitbreiden buiten de lessituatie om. Vb. voorlezen of levende
prentenboeken
6. Wat is het mentale lexicon?
A. De koppeling van visueel naar betekenis is geautomatiseerd.
B. Woorden worden niet los opgeslagen in het hoofd, maar in laatjes die op de een of
andere manier bij elkaar horen.
C. Redekundig ontleden
7. Wat hoort bij elkaar? Trek een lijn.
- Syntactische informatie (wat het woord betekent)
- Morfologische informatie (Hoe het klinkt)
- Akoestische informatie (Hoe het kan worden verbogen)
- Semantische informatie (Hoe het wordt gebruikt in de zin)
8. Wat zijn vrije morfemen?
A. Woorden als be, ge en ver
1. De vier domeinen van taal zijn:
Productief Receptief
Mondeling 1- 2-
Schriftelijk 3- 4-
2. Wat zijn literaire teksten?
A. Zijn voorspelbaar, bevatte goedkope humor en slecht uitgewerkte karakters.
B. Zijn vooral ontspannende en verzonnen verhalen, zoals romans, verhalen en poëzie.
C. Zijn kinderboeken speciaal gericht op de kennismaking van boeken.
3. Leg de 5 afdelingen van literatuur uit:
- A-afdeling =
- B-afdeling =
- C-afdeling =
- D-afdeling =
- J-afdeling =
4. Wat is een voorbeeld van een volkssprookje?
A. Roodkapje
B. Godfried Bomans
C. Kikker is verliefd
5. Wat is incidenteel woordenschatonderwijs?
A. Er wordt doelgericht en gestructureerd gewerkt aan het uitbreiden van de
woordenschat. Vb. taalmethode
B. Woordenschat uitbreiden buiten de lessituatie om. Vb. voorlezen of levende
prentenboeken
6. Wat is het mentale lexicon?
A. De koppeling van visueel naar betekenis is geautomatiseerd.
B. Woorden worden niet los opgeslagen in het hoofd, maar in laatjes die op de een of
andere manier bij elkaar horen.
C. Redekundig ontleden
7. Wat hoort bij elkaar? Trek een lijn.
- Syntactische informatie (wat het woord betekent)
- Morfologische informatie (Hoe het klinkt)
- Akoestische informatie (Hoe het kan worden verbogen)
- Semantische informatie (Hoe het wordt gebruikt in de zin)
8. Wat zijn vrije morfemen?
A. Woorden als be, ge en ver