DSM-V criteria, comorbiditeit en differentiaaldiagnoses
Inhoudstafel
1. Hechtingsstoornissen
1.1 Reactieve hechtingsstoornis
1.2 Ontremde sociale contactstoornis
2. Autismespectrumstoornissen (ASS)
3. Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD)
4. Gedragsstoornissen
4.1 Oppositionele-opstandige gedragsstoornis (ODD)
4.2 Periodiek explosieve stoornis
4.3 Normoverschrijdende gedragsstoornis (CD)
5. Voedingsstoornissen op zuigelingenleeftijd
5.1 Ruminatiestoornis
5.2 PICA
5.3 Vermijdende/restrictieve voedselinname
5.4 Infantiele Anorexia
5.5 Sensoriële voedselaversie
5.6 Posttraumatische voedselstoornis
6. Eetstoornissen in de late kindertijd & adolescentie
6.1 Anorexia Nervosa
6.2 Boulimia Nervosa
6.3 Eetbuistoornis
7. Angststoornissen
7.1 Separatieangststoornis
, 7.2 Selectief mutisme
7.3 Sociale angststoornis/sociale fobie
7.4 Gegeneraliseerde angststoornis
7.5 Paniekstoornis
7.6 Paniekaanval
7.7 Specifieke fobie
7.8 Schoolweigering
8. Trauma en stress
8.1 Post-traumatische stressstoornis
9. Dissociatieve stoornissen
9.1 Dissociatieve identiteitsstoornis
9.2 Dissociatieve amnesie
9.3 Depersonalisatie/derealisatie stoornis
10. Stemmingsstoornissen
10.1 Disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis (DMDD)
10.2 (Majeure) depressieve stoornis
10.3 Persisterende depressieve stoornis (dysthymie)
10.4 Bipolaire stoornis
11. Aanpassingsstoornis
12. Stoornis in het gebruik van middelen
13. Opzettelijke zelfverwonding
14. Obsessief-compulsieve stoornis
15. Ticstoornissen
, HECHTINGSSTOORNISSEN
REACTIEVE HECHTINGSSTOORNIS
Hoofdcriteria (DSM-V) Comorbiditeit Differentiaaldiagnose
A) Consistent patroon van geremd, emotioneel teruggetrokken gedrag, jegens volwassen 1) Verwaarlozing ASS
verzorgers, wat tot uiting komt in volgende twee kenmerken: Afwijkend sociaal gedrag: verminderde
1. Het kind zoekt zelden of nauwelijks vertroosting als het van streek is. 2) Taalstoornissen uitdrukken van positieve emoties,
2. Het kind reageert zelden of nauwelijks op troosten als het van streek is. cognitieve achterstand, taalachterstand
3) Medische aandoeningen en stoornissen in sociale reciprociteit.
B) Een persisterende sociale en emotioneel stoornis, die gekenmerkt wordt door minstens twee van
volgende kenmerken: 4) Depressieve stoornissen Verstandelijke beperking
1. Minimale sociale en emotionele responsiviteit op anderen. Verminderd sociaal en emotioneel
2. Beperkt positief affect. functioneren
3. Episoden van onverklaarde prikkelbaarheid, verdrietigheid of angstigheid die zelfs gedurende
niet-bedreigende interacties met volwassen verzorgers evident zijn. Stemmingsstoornissen
Verminderd positief affect bij kinderen.
C) Het kind heeft een patroon van extreme vormen van ontoereikende verzorging meegemaakt,
zoals blijkt uit minstens één van volgende kenmerken:
1. Sociale verwaarlozing of deprivatie waarbij emotionele basisbehoeften aan vertroosting,
aanmoediging en affectie persisterend door volwassen verzorgers wordt veronachtzaamd.
2. Herhaaldelijk wissen van primaire verzorgers, wat vormen van stabiele relaties beperkt (bv.
pleegzorg).
3. Opgroeien in ongebruikelijke omgevingen, wat het vormen van selectieve hechtingsrelaties
ernstig beperkt (bv. instellingen met veel kinderen per verzorger)
D) Er zijn redenen om te veronderstellen dat de verzorging genoemd in criterium C verantwoordelijk
is voor het verstoorde gedrag uit criterium A.
E) Er wordt niet voldaan aan autismespectrumstoornissen.
F) De stoornis is voor het 5de levensjaar duidelijk aanwezig.
G) Het kind heeft een ontwikkelingsniveau van minstens 9 maanden.