Thema 5 – Elektrische schakelingen
grootheid symbool eenheid symbool verband
Spanning U 1 volt 1V U=I∙R
(= Wet van Ohm)
Stroomsterkte I 1 ampère 1A I =U/R
Weerstand R 1 ohm 1Ω R=U/I
Vermogen P 1 watt 1W P=U∙I
=R∙I2
Schakelingen binnenin een toestel dienen om onderdelen (zoals lampen en transistors) van de juiste spanning
en stroom te voorzien.
Schakeling oplossen = voor elk element bepalen welke spanning erover staat en welke stroom erdoor gaat.
Elektrische leidingen in een woning bestaan uit verschillende stroomkringen, die allemaal vertrekken vanuit
een zekeringskast.
Alle elektrische apparaten, stopcontacten, schakelaars en zekeringen vormen een elektrisch netwerk.
* Bij de oefeningen nemen we aan dat de weerstand van de lampjes niet verandert *
Serieschakeling
Schakel je weerstanden achter elkaar, dan ontstaat er een serieschakeling. De geleiders vormen samen met
de bron de hoofdkring.
- De stroomsterkte I is in elk punt gelijk
- De bronspanning is verdeeld in deelspanningen over de weerstanden (Ub=U1+U2+… )
- Een serieschakeling van weerstanden is een spanningsdeler
Parallelschakeling
Alle weerstanden staan parallel met elkaar en met de bron. Deze schakeling bevat knooppunten (daar waar
minstens drie geleiders samenkomen). In een knooppunt splitst de hoofdkring in twee of meer deeltakken die
opnieuw samenkomen in een volgend knooppunt.
- De hoofdstroom wordt verdeeld over de weerstanden
- De spanning U is over elke tak hetzelfde
Sunflower123 1