§5.1 Diëten
Vetten = organische stofen bestaande uit glycerol en vetzuren.
Koolhydraten = organische stofen bestaande uit glucosemoleculen.
Eiwitten = een of meer lange ketens van aminozuren.
Dissimilatie = de afraak van grotere organische moleculen zoals een
glucosemolecuul, waardoor er energie vrijkomt.
ATP = Een molecuul dat energie tjdelijk opslaat.
Glycogeen = een soort dierlijk zetmeel, dat bestaat uit een keten van aan
elkaar gekoppelde glucosemoleculen.
Ruststofwisseling = De energie die nodig is voor processen zoals ademhaling,
hartslag en vertering als een persoon in rust is.
ADH – waardes = de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden van verschillende
voedingsstofen.
§5.1 tekst diëten
Koolhydraten, veten en eiwiten vormen de energiebronnen in het
lichaam.
Glycogeen is een reservestof in spieren en lever.
Vet zit in het beenmerg, rond organen en onder de huid
Van eiwiten heb je geen voorraad.
Bij een verantwoord afslankdieet eet je minder koolhydraten en veten,
maar wel voldoende van alle noodzakelijke voedingsstofen.
De ADH – waarde geef aan hoeveel vitamines en minerale je per dag
nodig hebt.
§5.1 Binastabellen
Binastabel 82A = Mineralen en vitamines
§5.1 aantekeningen
, §5.2 Plantaardig en Dierlijk voedsel
Cellulose = Een polysacharide dat een belangrijk bestanddeel van de celwand
van plantaardige cellen is.
Voedingsvezels = Niet verteerbare plantaardige moleculen uit het voedsel.
Lignine = houtstof dat in celwanden van planten aanwezig is.
Pectne = Een tussencelstof dat bepaalde plantencellen aan elkaar plakt.
Houtvaten = vaten in een plant waardoor water met mineralen van de wortels
naar boven vervoerd worden.
Bastvaten = vaten in een plant waardoor de assimilateproducten van de
bladeren naar de rest van de plant vervoerd worden.
Assimilatieproces = het opbouwen van organische moleculen.
Aminozuren = de bouwstenen van eiwiten.
Niet – essentiële aminozuren = Aminozuren die je lichaam zelf kan maken en
die je niet met voedsel hoef binnen te krijgen.
Essentiële aminozuren = Aminozuren die je lichaam niet zelf kan maken die je
met je lichaam binnen moet krijgen.
Glycerol = Het deel van een vetmolecuul, waaraan de vetzuren zijn gekoppeld.
Vetzuren = De onderdelen van een vetmolecuul die aan glycerol gekoppeld
zijn.
Essentiële vetzuren = Vetzuren die je lichaam niet zelf kan maken en die je met
je voedsel binnen moet krijgen.
5.2 tekst
Cellulose- , lignine- en pectnemoleculen zijn voedingsvezels.
Knollen en zaden zijn energierijke voedingsmiddelen, door reservestofen als zetmeel
en oliën.
Het opbouwen van organische stofen in de cellen heet assimilate.
Voor de opbouw van eiwiten zijn essentële en niet- essentële aminozuren nodig.
Voor de opbouw van veten zijn glycerol en essentële en niet- essentële vetzuren
nodig
5.2 binastabellen
Cellulose = Binastabel 67F