Micro -organismen: Organismen die zo klein zijn dat ze niet met het blote oog te zien
zijn.
Voedselvergifiging: Gifige stofen van bacteriën en schimmels in voedsel komt in het
lichaam terecht.
Voedselinfecte: Het ontsteken van de darm door het eten van verkeerd voedsel.
Rijken: Vier groepen waarin alle organismen in gedeeld worden.
Flagel: Een zweephaar waarmee sommige bacteriën zich kunnen verplaatsen.
Prokaryoten: Organismen zonder celkern.
Eukaryoten: Organismen met een celkern.
Virussen: Ziekteverwekkers die bestaan uit erfelijk materiaal en een eiwitmantel.
7.1 tekst Waarneming: Je eten bederf.
Micro – organismen: Bijvoorbeeld bacteriën en schimmels.
Zodra je schimmelkolonies ziet weet je dat je eten als is bedorven.
Voedselvergifiging: komt door de gifige stofen van bacteriën en schimmels in
voedsel.
Voedselinfecte: Een ontstoken darm.
Voedselvergifiging ontstaat door gifige afvalstofen van ziekteverwekkers. Bij een
voedselinfecte zijn de darmen ontstoken.
Organismen:
Elk organismen heef een ‘DN – streepjescode’.
‘oor deze code kunnen onderzoekers organismen snel achterhalen.
Sushi: achterhalen of de vis die staat aangegeven, wel echt in sushi zit.
Vier rijken: Bacteriën, schimmels, planten en dieren.
Eu ( = goed ), karyon ( = kern )
Virussen:
In Dederlands jaarlijks naar schatng een half miljoen mensen krijgt een
norovirus – infecte door toiletbezoek of besmet voedsel.
Virussen zijn ziekteverwekkers.
Onderzoekers zien virussen pas met vergrotng van 80 000x of meer.
Virussen bestaan niet uit cellen.
Virussen bestaan uit erfelijk materiaal ( ‘DN of RDN ) omgeven door een
eiwitmantel.
, Dorovirus, net zoals HIV, een RDN – virus.
Werking virussen:
Virussen dringen een cel binnen en dwingen’ cel om nieuwe virussen te maken.
‘e cel gaat dood en de vrijgekomen virussen andere cellen besmeten.
‘e darmcellen sterven af door groot aantal nieuwe norovirussen, hierdoor
diarree.
Virussen planten niet voort, maar vermeerderen via een gastheercel.
‘oordat virussen zich niet zelfstandig voortplanten, maar door gastheercel, vertonen
ze niet alle levenskemerken, daarom worden ze niet tot levende organismen
gerekend.
Alle organismen kun je plaatsen in een van de vier rijken: bacteriën, schimmels,
planten en dieren. De virussen vertonen niet alle levenskenmerken.
Binastabellen:
Binastabel 92N & 100 : ‘e vier rijken.
Binastabel 78 en 79N: Bacteriën.
Binastabel 77N : virussen
H4 en Binastabel 77C: HIV
Nantekeningen: