Samenvatting H2: Evolutie
Inhoud
2.1 Enkele belangrijke basisbegrippen....................................................................................................1
2.2 Ontstaan en belang van genetische variatie in een populatie..........................................................2
2.2.1 Ontstaan allelische variatie........................................................................................................3
2.3 Evolutie: een klein stukje geschiedenis.............................................................................................3
2.4 Evolutie volgens Darwin en Wallace: survival of the fittest...............................................................4
2.4.1 Natuurlijke selectie....................................................................................................................4
2.4.1.1 Directionele selectie...........................................................................................................5
2.4.1.2 Divergente/disruptieve selectie..........................................................................................5
2.4.1.3 Stabiliserende selectie........................................................................................................5
2.4.2 Vermeerdering van soorten.......................................................................................................6
2.4.2.1 Verklaringen voor soortvorming.........................................................................................6
2.4.3 Continue verandering................................................................................................................6
2.4.4 Gemeenschappelijke oorsprong................................................................................................6
2.4.5 Geleidelijkheid...........................................................................................................................6
2.5 Evolutie post-Darwin.........................................................................................................................7
2.5.1 Mechanismen die voor sorting zorgen.......................................................................................8
2.1 Enkele belangrijke basisbegrippen
- Kenmerken = zichtbare + niet zichtbare eigenschappen van een organisme
o Oogkleur, haarkleur, lichaamslengte continu kenmerk, binnen bepaalde grenzen
Oogkleur bepaald door
Allelen
Verschillende genen
Verschillende combinaties van allelen
Verschillende graden van onderlinge dominantie van allelen
o Fysiologische kenmerken minder zichtbaar
Maximale zuurstofopnamevermogen
o Performantiekenmerken
Paslengte, maximale loopsnelheid, fecunditeit
Fecunditeit= vermogen van organisme om nakomelingen te
produceren
- Kenmerktoestanden= vorm/waarde dat kenmerk aanneemt
o Blauwe ogen, blond haar, 1m
o (grotendeels) bepaald door genetische achtergrond organisme genotype
Bepaalde genen wel/niet tot expressie brengen
o Kunnen dominant of recessief zijn
o Bepaald door genotype
1
, - Gregor mendel
o Gebruikte erwtenplaten als modelorganisme voor erfelijkheidsexperimenten
o Bestudeerde overerving van kenmerktoestanden
Bloem kleur: paars of wit
Positie bloem: axiaal of terminaal
Zaadkleur: geel of groen
Zaadvorm: rond of geschrompeld
Peulkleur: groen of geel
Peulvorm: opgeblazen of vernauwd
Steellengte: groot of klein
- Fenotype= verzameling van alle kenmerktoestanden
- Allelen= verschillende sequentievarianten van een bepaald gen
o Bepalen de kenmerktoestand
o Alle cellen van mens zijn diploïd 2 volledige chromosomensets : 1 van eicel + 1 van
spermatozoön 2 kopijen van alle genen aanwezig op chromosomen ( niet het geval
bij geslachtschromosomen van mannen)
Op uitzondering van geslachtscellen want die zijn haploïd
o Gen krijgt 2x hetzelfde allel voor een gen homozygoot
o Beide allelen zijn verschillend (afkomstig van moeder & vader) heterozygoot
o 1 kopij wordt meegegeven ( voor genen van geslachtchromosomen van mannen)
hemizygoot
- Verschillende combinaties van allelen leiden tot verschillende kenmerktoestanden
- Evolutie is niet gericht op een bepaald doel !
2.2 Ontstaan en belang van genetische variatie in een
populatie
- Evolutie ontstaat door natuurlijke selectie
o Invloed op aanwezige variatie aan kenmerktoestanden in een populatie
- Belang genetische variatie: populatie kan zich aanpassen aan omgeving heeft daardoor
voordeel voor overleven
o Monocultuur
Is onder gunstige omstandigheden zeer productief
Zal onder slechte omstandigheden volledig uitsterven
o Genetisch diverse cultuur
Kans dat er ook resistente organismen aanwezig zijn waardoor de populatie
zal blijven bestaan
- Genotypische variatie bekeken op niveau van 1 gen dat codeert voor 1 eiwit wordt
synoniem van allelische variatie
o Hoe meer verschillende sequentievarianten er voor dit gen aanwezig zijn hoe hoger
de genetische variatie in de populatie
- Tasmaanse buidelduivel
o Kleine populaties met weinig genetische variatie
o Worden getroffen door een besmettelijke kanker
Besmettelijk doordat immuunsysteem van niet aangetaste duivels de
kankercellen niet herkennen als ‘vreemde’ stoffen en dus ook geen moeite
doen om zich te verdedigen
2
Inhoud
2.1 Enkele belangrijke basisbegrippen....................................................................................................1
2.2 Ontstaan en belang van genetische variatie in een populatie..........................................................2
2.2.1 Ontstaan allelische variatie........................................................................................................3
2.3 Evolutie: een klein stukje geschiedenis.............................................................................................3
2.4 Evolutie volgens Darwin en Wallace: survival of the fittest...............................................................4
2.4.1 Natuurlijke selectie....................................................................................................................4
2.4.1.1 Directionele selectie...........................................................................................................5
2.4.1.2 Divergente/disruptieve selectie..........................................................................................5
2.4.1.3 Stabiliserende selectie........................................................................................................5
2.4.2 Vermeerdering van soorten.......................................................................................................6
2.4.2.1 Verklaringen voor soortvorming.........................................................................................6
2.4.3 Continue verandering................................................................................................................6
2.4.4 Gemeenschappelijke oorsprong................................................................................................6
2.4.5 Geleidelijkheid...........................................................................................................................6
2.5 Evolutie post-Darwin.........................................................................................................................7
2.5.1 Mechanismen die voor sorting zorgen.......................................................................................8
2.1 Enkele belangrijke basisbegrippen
- Kenmerken = zichtbare + niet zichtbare eigenschappen van een organisme
o Oogkleur, haarkleur, lichaamslengte continu kenmerk, binnen bepaalde grenzen
Oogkleur bepaald door
Allelen
Verschillende genen
Verschillende combinaties van allelen
Verschillende graden van onderlinge dominantie van allelen
o Fysiologische kenmerken minder zichtbaar
Maximale zuurstofopnamevermogen
o Performantiekenmerken
Paslengte, maximale loopsnelheid, fecunditeit
Fecunditeit= vermogen van organisme om nakomelingen te
produceren
- Kenmerktoestanden= vorm/waarde dat kenmerk aanneemt
o Blauwe ogen, blond haar, 1m
o (grotendeels) bepaald door genetische achtergrond organisme genotype
Bepaalde genen wel/niet tot expressie brengen
o Kunnen dominant of recessief zijn
o Bepaald door genotype
1
, - Gregor mendel
o Gebruikte erwtenplaten als modelorganisme voor erfelijkheidsexperimenten
o Bestudeerde overerving van kenmerktoestanden
Bloem kleur: paars of wit
Positie bloem: axiaal of terminaal
Zaadkleur: geel of groen
Zaadvorm: rond of geschrompeld
Peulkleur: groen of geel
Peulvorm: opgeblazen of vernauwd
Steellengte: groot of klein
- Fenotype= verzameling van alle kenmerktoestanden
- Allelen= verschillende sequentievarianten van een bepaald gen
o Bepalen de kenmerktoestand
o Alle cellen van mens zijn diploïd 2 volledige chromosomensets : 1 van eicel + 1 van
spermatozoön 2 kopijen van alle genen aanwezig op chromosomen ( niet het geval
bij geslachtschromosomen van mannen)
Op uitzondering van geslachtscellen want die zijn haploïd
o Gen krijgt 2x hetzelfde allel voor een gen homozygoot
o Beide allelen zijn verschillend (afkomstig van moeder & vader) heterozygoot
o 1 kopij wordt meegegeven ( voor genen van geslachtchromosomen van mannen)
hemizygoot
- Verschillende combinaties van allelen leiden tot verschillende kenmerktoestanden
- Evolutie is niet gericht op een bepaald doel !
2.2 Ontstaan en belang van genetische variatie in een
populatie
- Evolutie ontstaat door natuurlijke selectie
o Invloed op aanwezige variatie aan kenmerktoestanden in een populatie
- Belang genetische variatie: populatie kan zich aanpassen aan omgeving heeft daardoor
voordeel voor overleven
o Monocultuur
Is onder gunstige omstandigheden zeer productief
Zal onder slechte omstandigheden volledig uitsterven
o Genetisch diverse cultuur
Kans dat er ook resistente organismen aanwezig zijn waardoor de populatie
zal blijven bestaan
- Genotypische variatie bekeken op niveau van 1 gen dat codeert voor 1 eiwit wordt
synoniem van allelische variatie
o Hoe meer verschillende sequentievarianten er voor dit gen aanwezig zijn hoe hoger
de genetische variatie in de populatie
- Tasmaanse buidelduivel
o Kleine populaties met weinig genetische variatie
o Worden getroffen door een besmettelijke kanker
Besmettelijk doordat immuunsysteem van niet aangetaste duivels de
kankercellen niet herkennen als ‘vreemde’ stoffen en dus ook geen moeite
doen om zich te verdedigen
2