Paragraaf 3.1 Het bestuderen van cellen vormt de basis voor inzicht in de fysiologie van
de mens 2
Paragraaf 3.2 De plasmamembraan scheidt de cel van zijn uitwendige milieu en vervult
verschillende functies 2
Paragraaf 3.3 Diffusie en filtratie zijn passieve transportmechanismen die bijdragen aan
het membraantransport 4
Paragraaf 3.4 Door dragerstoffen gemedieerd transport en vesiculair transport dragen
ook bij aan het membraantransport 5
Paragraaf 3.5 Organellen in het cytoplasma vervullen specifieke functies 6
Paragraaf 3.6 De celkern bevat DNA en enzymen die noodzakelijk zijn om processen in
de cel aan te sturen 8
Paragraaf 3.7 DNA stuurt de eiwitsynthese en de celstructuur en -functie 9
Paragraaf 3.8 De levenscyclus van de cel bestaat uit de interfase, de mitose en de
cytokinese 10
Paragraaf 3.9 Tumoren en kanker worden gekenmerkt door afwijkende celgroei en
celdeling 11
Paragraaf 3.10 Differentiatie is specialisatie van cellen als gevolg van de activering of
onderdrukking van genen 11
Hoofdstuk 3 De celstructuur en -functie
Terminologie
aer- lucht aeroob
ana- apart anafase
chondrion korrel mitochondrion
chroma kleur chromosoom
cyto- cel cytoplasma
endo- binnen endocytose
exo- buiten exocytose
hemo- bloed hemolyse
hyper- boven hypertonisch
hypo- onder hypotonisch
inter- tussen interfase
interstitium iets dat zich ergens interstitiële vloeistof
tussen bevindt
iso- gelijk isotonisch
-kinese beweging cytokinese
meta- na metafase
micro- klein microtubili
mitos draad mitose
osmos druk osmose
phagein eten fagocytose
pinein drinken pinocytose
podon voet pseudopodium
, pro- voor profase
pseudo- vals pseudopodium
ptosis wegvallen apoptose
reticulum netwerk endoplasmatisch reticulum
soma lichaam lysosoom
telos einde telofase
tonos spanning isotonisch
Paragraaf 3.1 Het bestuderen van cellen vormt de basis voor inzicht in de fysiologie van de
mens
In de loop van de tijd hebben biologen de celtheorie ontwikkeld die uit de volgende vier
basale concepten bestaat:
1. Cellen zijn de bouwstenen van alle planten en dieren.
2. Cellen zijn de kleinste functionerende eenheden van leven.
3. Cellen worden gevormd door de deling van eerder bestaande cellen.
4. In elke cel wordt de homeostase gehandhaafd.
In afzonderlijke organismen kan homeostase alleen worden gehandhaafd dankzij de
gecombineerde en gecoördineerde activiteiten van veel verschillende typen cellen.
Het bestuderen van de structuur en functie van cellen wordt celleer of cytologie genoemd.
De twee meest gebruikte methoden voor het bestuderen van cel- en weefselstructuur zijn
lichtmicroscopie en elektronenmicroscopie. Bij lichtmicroscopie worden meestal dunne
plakjes bekeken die uit een groter stuk weefsel zijn gesneden. Veel fijne details van de
intracellulaire structuur zijn te klein om met een lichtmicroscoop te bekijken. Deze details zijn
wel zichtbaar met een elektronenmicroscoop. Transmissie elektronenmicrofoto’s (TEM’s) zijn
foto’s van zeer dunne plakjes waarin fijne details van celmembranen en intracellulaire
structuren zichtbaar zijn. Scanning elektronenmicrofoto’s (SEM’s) geven een kleinere
vergroting, maar daarmee kan de driedimensionale aard van celstructuren zichtbaar worden.
Inzichtvraag: De celtheorie werd gedurende vele jaren ontwikkeld. Wat zijn de vier elementaire
begrippen van deze theorie?
Inzichtvraag: Het bestuderen van cellen wordt _____ genoemd
Paragraaf 3.2 De plasmamembraan scheidt de cel van zijn uitwendige milieu en vervult
verschillende functies
Algemene functies van de plasmamembraan zijn onder meer:
- Fysieke isolatie. De plasmamembraan vormt een fysieke barrière die de binnenkant
van de cel scheidt van de omringende extracellulaire vloeistof.
- Reguleren van de uitwisseling met de omgeving.
- Gevoeligheid voor de omgeving. De plasmamembraan is het eerste deel van de cel
dat door veranderingen van de extracellulaire vloeistof wordt beïnvloed. De
plasmamembraan bevat ook verschillende receptoren waarmee de cel specifieke
moleculen kan herkennen en op deze moleculen kan reageren.
- Structurele stabiliteit. Door gespecialiseerde verbindingen tussen celmembranen, of
tussen membranen en extracellulaire stoffen, krijgen weefsels een stabiele structuur.
De plasmamembraan is buitengewoon dun en bevat vetten, eiwitten en koolhydraten.