Ecologie
, Parasitisme
» Wat terminologie
» Transmissie tussen gastheren: directe transmissie
» Transmissie tussen gastheren: complexe levenscycli
» Respons van de gastheer op parasieten
» Invloed van parasieten op de gastheer
» Invloed van parasieten op de gastheerpopulatie
» Van parasitisme naar mutualisme
» Mutualisme: een divers spectrum aan interacties
» Mutualisme en nutrientenstroom
» Defensief mutualisme
» Mutualisme en populatiedynamiek
, Parasitisme
Wat terminologie
Symbiose = intieme en langdurige associatie tussen twee of meer organismen van verschillende soorten
Mutualisme = positieve uitkomst voor beide organismen
Parasitisme = negatieve uitkomst voor 1 van de organismen
Predatie = negatieve uitkomst voor 1 van de organismen waarbij het organisme gedood zal worden, er
is hierbij geen intieme en lange relatie
Secundaire infectie = een parasiet maakt een opening voor andere beestjes die op het organisme kunnen
kruipen waarbij er een infectie kan oplopen en het organismen ziek kan worden of dood kan gaan
Parasieten = organismen die veel kleiner zijn dan hun gastheer (een lintworm bijvoorbeeld niet), hebben de
hoogste specialisatie waarbij ze hun gastheer zorgvuldig uitkiezen, en er is een snelle voortplanting waardoor er
in een korte tijd zeer veel nakomelingen kunnen ontstaan
Het kunnen virussen, bacteriën, protisten, schimmels, planten, ongewervelden zijn
Vergrootglaseffect = de parasieten hebben een veel kortere generatietijd waardoor er ook een bepaalde
tijdsspanne meer genetische variatie / mutaties kunnen oplopen. Er zal over een bepaalde tijd meer informatie
geweten zijn over de genetische verschillen van de parasiet dan van de gastheer omdat zij een tragere
generatietijd hebben
Micropredatoren = organismen die een korte interactietijd aangaan met hun gastheer het zijn meestal de
bloedzuigende dieren (muggen, teken, vleermuizen,…) : ze voeden zich episodisch
Kleptoparasitisme = er komt geen fysieke kost kijken bij de gastheer maar wel voor de parasiet. Het is ook wel
de diefstal van de gastheer van een andere parasiet. Een koekoek steelt de jongen van een andere vogel. En
visetende roofvogels zullen enkel beginnen te pesten totdat de ene de vis loslaat en laat vallen zodat de andere
deze kan opeten
Broedparasitisme = het leggen van de eieren in / op een ander organisme. Ook is dit het leggen van eieren van
een ander organisme tussen de eieren van dat organisme
Virulentie = als maat voor de door parasieten veroorzaakte schade gebruiken evolutiebiologen de vermindering
van de genetische fitness van de gastheer die toe te schrijven is aan de infectie. Deze vermindering van de
fitness van de gastheer wordt de virulentie van de parasiet genoemd, en wordt gekwantificeerd als het relatieve
verschil tussen het voortplantingsvermogen van de geïnfecteerde gastheer en wat hij zonder de infectie zou
kunnen bereiken
Prevalentie = de hoeveelheid gastheren die geinfecteerd zijn door een parasiet
Gemiddelde infectie-intensiteit = het gemiddelde aantal parasieten van een bepaalde soort op gastheren
Infectie-intensiteit = het aantal parasieten die teruggevonden zijn op gastheren
Gemiddelde parasiet abundantie = het gemiddelde aantal parasieten per gastheer soort
Microparasieten = het zijn de virussen, bacterien en protisten : ze zijn erg klein, hebben een korte generatietijd,
ontwikkelen zich in de gastheren, de infectie is van een korte tijd in vergelijking met de levensduur van de
gastheer, en het kan direct worden overgedragen van gastheer op gastheer
Cycli : - apicomplexan : de protisten komen in het water terecht en dringen dan de luchtwegen binnen
van de waterschildpadden. – ciliophoran : het zijn de rotisten met cilia die op de huid van de vis gaan
zitten. – euglenozoan : de protisten die de kikkers infecteren en zich in het bloed zullen
vermenigvuldigen
, Parasitisme
» Wat terminologie
» Transmissie tussen gastheren: directe transmissie
» Transmissie tussen gastheren: complexe levenscycli
» Respons van de gastheer op parasieten
» Invloed van parasieten op de gastheer
» Invloed van parasieten op de gastheerpopulatie
» Van parasitisme naar mutualisme
» Mutualisme: een divers spectrum aan interacties
» Mutualisme en nutrientenstroom
» Defensief mutualisme
» Mutualisme en populatiedynamiek
, Parasitisme
Wat terminologie
Symbiose = intieme en langdurige associatie tussen twee of meer organismen van verschillende soorten
Mutualisme = positieve uitkomst voor beide organismen
Parasitisme = negatieve uitkomst voor 1 van de organismen
Predatie = negatieve uitkomst voor 1 van de organismen waarbij het organisme gedood zal worden, er
is hierbij geen intieme en lange relatie
Secundaire infectie = een parasiet maakt een opening voor andere beestjes die op het organisme kunnen
kruipen waarbij er een infectie kan oplopen en het organismen ziek kan worden of dood kan gaan
Parasieten = organismen die veel kleiner zijn dan hun gastheer (een lintworm bijvoorbeeld niet), hebben de
hoogste specialisatie waarbij ze hun gastheer zorgvuldig uitkiezen, en er is een snelle voortplanting waardoor er
in een korte tijd zeer veel nakomelingen kunnen ontstaan
Het kunnen virussen, bacteriën, protisten, schimmels, planten, ongewervelden zijn
Vergrootglaseffect = de parasieten hebben een veel kortere generatietijd waardoor er ook een bepaalde
tijdsspanne meer genetische variatie / mutaties kunnen oplopen. Er zal over een bepaalde tijd meer informatie
geweten zijn over de genetische verschillen van de parasiet dan van de gastheer omdat zij een tragere
generatietijd hebben
Micropredatoren = organismen die een korte interactietijd aangaan met hun gastheer het zijn meestal de
bloedzuigende dieren (muggen, teken, vleermuizen,…) : ze voeden zich episodisch
Kleptoparasitisme = er komt geen fysieke kost kijken bij de gastheer maar wel voor de parasiet. Het is ook wel
de diefstal van de gastheer van een andere parasiet. Een koekoek steelt de jongen van een andere vogel. En
visetende roofvogels zullen enkel beginnen te pesten totdat de ene de vis loslaat en laat vallen zodat de andere
deze kan opeten
Broedparasitisme = het leggen van de eieren in / op een ander organisme. Ook is dit het leggen van eieren van
een ander organisme tussen de eieren van dat organisme
Virulentie = als maat voor de door parasieten veroorzaakte schade gebruiken evolutiebiologen de vermindering
van de genetische fitness van de gastheer die toe te schrijven is aan de infectie. Deze vermindering van de
fitness van de gastheer wordt de virulentie van de parasiet genoemd, en wordt gekwantificeerd als het relatieve
verschil tussen het voortplantingsvermogen van de geïnfecteerde gastheer en wat hij zonder de infectie zou
kunnen bereiken
Prevalentie = de hoeveelheid gastheren die geinfecteerd zijn door een parasiet
Gemiddelde infectie-intensiteit = het gemiddelde aantal parasieten van een bepaalde soort op gastheren
Infectie-intensiteit = het aantal parasieten die teruggevonden zijn op gastheren
Gemiddelde parasiet abundantie = het gemiddelde aantal parasieten per gastheer soort
Microparasieten = het zijn de virussen, bacterien en protisten : ze zijn erg klein, hebben een korte generatietijd,
ontwikkelen zich in de gastheren, de infectie is van een korte tijd in vergelijking met de levensduur van de
gastheer, en het kan direct worden overgedragen van gastheer op gastheer
Cycli : - apicomplexan : de protisten komen in het water terecht en dringen dan de luchtwegen binnen
van de waterschildpadden. – ciliophoran : het zijn de rotisten met cilia die op de huid van de vis gaan
zitten. – euglenozoan : de protisten die de kikkers infecteren en zich in het bloed zullen
vermenigvuldigen