1. Algemeen bindweefsel
Basistypes: dekweefsel, bindweefsel, spierweefsel, zenuwweefsel
Cel Matrix Vezels
Dicht bindweefsel - Fibroblasten - Gelachtig - Collageen
(kleurloos, vormloos) - Amorf (vormloos) (buigzaam, gegolfd)
- Elastine
(geel en elastisch)
- Reticuline
(dunner, sterk)
Kraakbeen - Chondroblasten - Waterrijk (70%) - Collageen
(weinig) - Amorf - Elastine
Soorten
Hyalien kraakbeen: blauwwit, buitenlaag glad, verbeent niet, slijten en verouderen
Fibreus kraakbeen: veel collageen, op plaatsen onderheving aan grote druk (vb menisci)
Elastisch kraakbeen: weinig collageen, veel elastine, buigzaam en veerkrachtig (vb oorschelp)
Cellulair kraakbeen: zeer celrijk, weinig matrix, groeikraakbeen
Beenweefsel - Osteoblasten - Hard - Collageen
(vormen lamellen) - Collageen (90%)
- Osteoclasten - Calcium hydroxy-
(beenresorptie) apatiet neergeslagen
Soorten
Substantia compacta: dicht op elkaar cilinders vormen, centraal kanaal bloedvaten, harde omhulsel
Substantia spongiosa: dunne beenbalkjes vormen (trabeculae), netwerk met ruimtes rode beenmerg
,2. Osteologie
2.1. Het skelet
2.1.1. Functies
- Stapelplaatsen calcium en fosfor
- Vormen van bloedcellen
- Steun bieden aan zacht weefsel en vormen van harde spil (vorm tegen zwaartekracht behouden)
- Beschermend omhulsel rond weke organen
- Aanhechting aan gestreepte spieren en werken dan als hefboomarmen (mobiliteit mogelijk)
2.1.2. Vormen
1) Ossa brevia
- Substantia spongiosa omgeven door substantia compacta
- Voorbeeld: handwortelbeenderen
2) Ossa plana
- Tabula externa / interna (buitenste / binnenste laag substantia compacta) → hiertussen substantia spongiosa (diploë)
- Voorbeeld: schedel, schouderblad
3) Ossa longa
- Pijpbeenderen (holle schacht)
- Proximaal en distaal van diaphyse → epiphysen, bedekt met hyalien kraakbeen
- Scheiding diaphyse en epihyse → metaphyse, bevat cellulaire kraakbeen (tot 25j)
- Centrale holte → cavum medullare (mergkanaal) met medulla ossium (beenmerg)
→ Medulla ossium rubra: bij kinderen en in korte beenderen van volwassene
→ Medulla ossium flave: bij volwassenen
- Omgeven door → periosteum (beenvlies), buitenlaag met bloedvaten en zenuwen
en binnenlaag met osteoblasten en osteoclasten
- Fibrillen van Sharpey → bij aanhechting versmelten collageenvezels van ligamenten en pezen
met periosteum en lopen door tot in de beenstof
- Pijnklachten → voort uit beschadiging van periosteum
, 2.1.3. Kenmerken
206 platen uit beenstof
1) Axiale skelet (80 beenderen)
Columna vertebralis (wervelkolom)
Cervicale wervels (C1-C7) Thoracale wervels (T1-T12) Lumbale wervels (L1-L5)
Steunen op:
Os sacrum (heiligbeen)
Os coccygis
1 Processus spinosus (PS)
2 processus transversum (PT)
2) Extremiteiten
- Membrum superieus: 2x 32 beenderen
- Membrun inferius: 2x 31 beenderen
Evolutie vanuit lagere diersoorten:
- 4 extremiteiten die vasthangen aan axis
- Door de nieuwe ligging van zwaartepunt hebben viervoeters geen S-vormige kromming van wervelzuil
- Schouderblad dorsaal op borstkas, zodat laterale bewegingen van bovenste lidmaat makkelijker gaan
- Mens en vertebraten hebben endoskelet (spieren bovenop skelet)
- Schedel, kaken, sleutelbeen, nagels en tanden zijn overblijfsels van het exoskelet (skelet boven op spieren)
2.2. Beenmechanica
De functie bepaalt de bouw → knobbel kan ontwikkelen omdat aanhechtende spieren zoeken naar een hefboom
Substantia compacta
- Sterk en heeft een grote buigweerstand
- Vormt de gesloten ring van diaphyse (in het midden het dikst)
- Buitenste beenlaag thv epiphysen
Substantia spongiosa
- Licht en heeft een netwerk van dunne krachtopvangende beentrabekels (in richting van inwerkende kracht)
- Licht maar sterk bot dat drukkrachten opvangt
- Ondersteunt dunne laag compacta in de epiphysen
- Vergroting van contactoppervlak vermindert de druk
Zouten
- Bepaalt de hardheid, sterkte en rigiditeit in beenstof
- Zonder zouten zou het been te elastisch en buigzaam worden
- Een ontkalkt been zal gemakkleijk vervormen
Collageen
- Beperkte flexibiliteit
- Zonder collageen zal het been bros en glazig worden waardoor het te gemakkelijk breekt