Podcast luisteren vorige les!
Relevante antwoorden geven: naam/ bron noemen (jaartaal bijze;en)
Voor voorbeeldvragen kijk naar PP
Voorbeeldvraag 1
1. Je vindt hieronder een reeks parallelle teksten. IdenEficeer om welke soort vertaling
het hier gaat. Verwijs indien relevant naar alle mogelijke benamingen/ classificaEes
die in de les genoemd zijn
a. Niet welke techniek gebruikt wordt!
b. Antwoord: intralinguaal, geschreven vertaling, ‘culturele vertaling’, literaire
(Bijbel) vertaling
Voorbeeldvraag 2
1. IdenEficeer om welke soort vertaling het hier gaat. Verwijs indien relevant naar alle
mogelijke benamingen/classificaEes die in de les genoemd zijn
a. Antwoord: interlinguale vertaling, transcreaEe/ creaEef vertalen,
mulEmodale vertaling, (website) lokalisaEe
Voorbeeldvraag 3
Volgens Van den Broeck is vertaling zowel een “evidenEe als een paradox”. Verduidelijk deze
uitspraak door hem in verband te brengen met de discussie rond taalrelaEvisme en het
Bijbelverhaal van de Toren van Babel.
1. EvidenEe: als iedereen een verschillende taal spreekt, moet je wel vertalen
2. Paradox: dat is niet alEjd mogelijk. Als je gelooT dat er ooit een eenheidstaal was,
dan is de vertaling alEjd slechter tegenover die originele taal
3. (zie uitgebreid antwoord in slide)
Voorbeeldvraag 4
Antwoord: morfosyntaxische en woordenboekequivalenEe. Elk woord le;erlijk vertaald
zonder rekening te houden met linguïsEsche context waarin de woorden zich bevinden.
Voorbeeldvraag 5
1. “bord: a;enEon chien méchant”
a. Lexicale equivalenEe: opgelegd gemene hond
b. Equivalent effect principle: hier waak ik
2. “how are you doing?”
a. Morfosyntaxische equivalenEe: Hoe ben je aan het doen?
b. SemanEsche equivalenEe: hoe gaat het?
3. “dear Sir or Madam”
a. TekstnormaEeve equivalenEe: Geachte mevrouw/ meneer
b. Lexicale equivalenEe: Liefste meneer of mevrouw