1.3 HET LEVEN HANGT AF VAN WATER
1.4 HET BELANG VAN WATERSTOFIONEN
1.5 DE ORGANISCHE MOLECULEN VAN HET ORGANISMEN
1.6 KOOLHYDRATEN/ GEBRUIKT VOOR ENERGIE EN STRUCTURELE ONDERSTEUNING
1.7 LIPIDEN/ ONOPLOSBAAR IN WATER
1.8 EIWITTEN/ COMPLEXE STRUCTUREN OPGEBOUWD UIT AMINOZUREN
1.9 NUCLEÎNEZUREN SLAAN GENETISCH MATERIAAL OP INFORMATIE
→ nieuw boek
2.2 WATER EN LEVEN
Water is een polaire molecule: O is lichtjes negatief geladen en H lichtjes positief. Het vormt 70- 90%
van het lichaamsgewicht
Waterbindingen
- Relatief zwakke bindingen
Eigenschappen van water
- Vloeistof op kamertemperatuur
- Hoge temperatuur capaciteit
o Calorie is de hoeveelheid warmte-energie nodig om temperatuur van 1g water tot
1°C te krijgen. Andere covalent verbonden vloeistoffen hebben slecht de helft van de
energie nodig
o Water kan warmte absorberen zonder grote veranderingen in
temperatuur → vele waterstofbindingen die watermoleculen
samenbrengen zorgen hiervoor
- Water heeft hoge warmte van evaporatie/verdamping
o Water verdampt als het kookt
- Water als oplosmiddel
o Hydrofiele moleculen: Trekken water en andere polaire moleculen aan
o Hydrofobe moleculen: Stoten water af en trekken andere niet-polaire moleculen aan
- Watermoleculen zijn samenhangend en adhesie
o Samenhangend: watermoleculen hangen aan elkaar vast door waterstofbindingen
o Adhesie: vastkleven aan het oppervlak
o Bloedvaten kunnen gevuld worden en transport door bloed kan gebeuren door
cohesie en adhesie
- Bevroren water is minder dicht dan vloeibaar water
o Wanneer water afkoelt, komen de moleculen dichter op elkaar
o Zorgt ervoor dat ijs blijft drijven op water → maakt leven in water en op
land mogelijk
Zuren en basen
Wanneer watermoleculen splitsen, geven ze een gelijkaardig nummer hydrogenen als hydroxiden vrij.
Mol: eenheid voor wetenschappelijke metingen van atomen, ionen en moleculen
- Zuuroplossingen
o Hoge H+-concentraties
o Splitsen in water en geven H+-ionen vrij
o Zuurtegraad hangt af van de mate waarin het splitst in het water
- Baseoplossingen
, o Lage H+-concentraties
o Of nemen H+-ionen op of geven OH-- ionen af
- pH-schaal
o Aangeven van zuurtegraad of basiciteit van een oplossing
o Schaal van 0-14. 7 is neutraal, onder 7 is zuur, boven 7 is base
o pH van bloed is ± 7.4
- Buffers
o Stabiele pH-waarde mogelijk door lichaam en omgeving die buffers
bevatten → nemen overmaat aan OH- of H+ op
2.3 MOLECULEN IN HET LEVEN
4 categorieën van organische moleculen (organisch: bevatten van C en H en geassocieerd met
levende organismen)
- Koolhydraten, lipiden, proteïnen en nucleïnezuren
- Macromolecule: bevat veel subunits. Wanneer een cel dit vormt, gebruikt het
dehydratatiereacties
o Synthetische reactie OH-groep en H-atoom verwijderen
o Macromoleculen afbreken: gebruik hydrolysereactie: H en Oh toegevoegd
2.4 KOOLHYDRATEN
Bijna universeel gebruikt als een bron van energie voor levende organismen
- Soms heeft het een structurele functie: bevatten H, C en OH
Eenvoudige koolhydraten: monosacchariden
- Monosacchariden: 1 suikermolecule en vaak eenvoudige suiker genoemd (kan 3-7
koolstoffen bevatten)
o Meest voorkomende is glucose
o Andere veelvoorkomende: fructose en galactose (d. is onbelangrijk)