VERGELIJKENDE BIOLOGIE
HOOFDSTUK 3: PROKARYOTEN
GEMEENSCHAPPELIJKE FUNDAMENTELE EIGENSCHAPPEN VAN ALLE LEVENDE
ORGANISMEN
1. Cellulaire organisatie: elk organisme bestaat uit (min) 1 of meerdere cellen - complexe
georganiseerde assemblages van moleculen ingesloten in een membraan
2. Gevoeligheid voor stimuli: alle levende organismen reageren op stimuli (licht, geluid, geur…)
3. Groei: alle levende organismen bouwen energie op en gebruiken deze om orde te
onderhouden en te groeien = metabolisme
4. Ontwikkeling: zowel eencellige als meercellige organismen ondergaan systematische gen-
gestuurde veranderingen voor hun groei en maturatie
5. Reproductie: organismen vermenigvuldigen, geven genen door van de ene op de andere
generatie
6. Regulatie: alle organismen zetten regulatorische mechanismen in om interne processen te
coördineren
7. Homeostase: onderhoud van relatief constante interne condities, verschillend van de
omgeving
8. Erfelijkheid: genetisch systeem gebasseerd op de replicatie van DNA – laat adaptatie
(voordelige aanpassingen) toe en evolutie
ORGANISMEN GROEPEREN
3 domeinen (gebaseerd op rRNA studies)
1. Domein Archaea
2. Domein Bacteria
3. Domein Eukarya
Pas op! Hoe langer geleden vertakt, hoe diverser
Archaea en Eukarya zijn meer met elkaar verbonden dan met bacteria
,Prokaryoten: bacteriën en archaea
Eukaryoten: planten, dieren, fungi
Niet vanbuiten kennen!!
, PROKARYOTEN
= Archaea + bacteria
Oudste vorm van leven
Meest voorkomende vorm van leven
Structureel simpele vorm van leven – typisch prokaryote cellulaire vorm
Alom tegenwoordig, ook daar waar geen eukaryoten kunnen overleven
Extremofielen: leven in warmwaterbronnen, hypersaliene meren, poolijs, onder erg hoge
druk
FUNDAMENTELE VERSCHILLEN TUSSEN PROKARYOTEN EN EUKARYOTEN
Unicellulair (enkele uitzonderingen)
Cellen kunnen wel groeperen tot een matrix of filament
Cellen blijven wel individueel
Geen directe interconnecties tussen elkaars cytoplasma
Biofilm: meeste bacteriën kunnen onder normale omstandigheden complexe
gemeenschappen bouwen bestaande uit verschillende species (betere resistentie)
Celgrootte
+/- 1µm of minder
Uitzonderingen tot 750 µm: thiomargarita Namibia
Chromosomen
In nucleoid regio
1 circulair dubbelstrengig DNA + histone achtige eiwitten
Plasmiden: genetisch element dat kan overgedragen worden tussen prokaryote cellen
Celdeling en genetische recombinatie
Mitose (eukaryoten): sexuele voortplanting typisch voor eukaryoten en betreft de vorming
van haploide gameten – diploide zygote
Binaire splijting (prokaryoten): vorm van asexuele reproductie
Bacteriën bestaan maar uit 1 cel dus hebben geen sexcellen
HOOFDSTUK 3: PROKARYOTEN
GEMEENSCHAPPELIJKE FUNDAMENTELE EIGENSCHAPPEN VAN ALLE LEVENDE
ORGANISMEN
1. Cellulaire organisatie: elk organisme bestaat uit (min) 1 of meerdere cellen - complexe
georganiseerde assemblages van moleculen ingesloten in een membraan
2. Gevoeligheid voor stimuli: alle levende organismen reageren op stimuli (licht, geluid, geur…)
3. Groei: alle levende organismen bouwen energie op en gebruiken deze om orde te
onderhouden en te groeien = metabolisme
4. Ontwikkeling: zowel eencellige als meercellige organismen ondergaan systematische gen-
gestuurde veranderingen voor hun groei en maturatie
5. Reproductie: organismen vermenigvuldigen, geven genen door van de ene op de andere
generatie
6. Regulatie: alle organismen zetten regulatorische mechanismen in om interne processen te
coördineren
7. Homeostase: onderhoud van relatief constante interne condities, verschillend van de
omgeving
8. Erfelijkheid: genetisch systeem gebasseerd op de replicatie van DNA – laat adaptatie
(voordelige aanpassingen) toe en evolutie
ORGANISMEN GROEPEREN
3 domeinen (gebaseerd op rRNA studies)
1. Domein Archaea
2. Domein Bacteria
3. Domein Eukarya
Pas op! Hoe langer geleden vertakt, hoe diverser
Archaea en Eukarya zijn meer met elkaar verbonden dan met bacteria
,Prokaryoten: bacteriën en archaea
Eukaryoten: planten, dieren, fungi
Niet vanbuiten kennen!!
, PROKARYOTEN
= Archaea + bacteria
Oudste vorm van leven
Meest voorkomende vorm van leven
Structureel simpele vorm van leven – typisch prokaryote cellulaire vorm
Alom tegenwoordig, ook daar waar geen eukaryoten kunnen overleven
Extremofielen: leven in warmwaterbronnen, hypersaliene meren, poolijs, onder erg hoge
druk
FUNDAMENTELE VERSCHILLEN TUSSEN PROKARYOTEN EN EUKARYOTEN
Unicellulair (enkele uitzonderingen)
Cellen kunnen wel groeperen tot een matrix of filament
Cellen blijven wel individueel
Geen directe interconnecties tussen elkaars cytoplasma
Biofilm: meeste bacteriën kunnen onder normale omstandigheden complexe
gemeenschappen bouwen bestaande uit verschillende species (betere resistentie)
Celgrootte
+/- 1µm of minder
Uitzonderingen tot 750 µm: thiomargarita Namibia
Chromosomen
In nucleoid regio
1 circulair dubbelstrengig DNA + histone achtige eiwitten
Plasmiden: genetisch element dat kan overgedragen worden tussen prokaryote cellen
Celdeling en genetische recombinatie
Mitose (eukaryoten): sexuele voortplanting typisch voor eukaryoten en betreft de vorming
van haploide gameten – diploide zygote
Binaire splijting (prokaryoten): vorm van asexuele reproductie
Bacteriën bestaan maar uit 1 cel dus hebben geen sexcellen