Opgave 1.1
Welke van de onderstaande uitspraken zijn weerlegbaar en welke niet?
1. Als Arie zijn moeilijkheden overwint, zal hij binnen twee jaar zijn doctoraal halen.
2. Naarmate er in een land meer politie is, stijgt de criminaliteit.
3. Bette zal haar doctoraal halen.
4. Voor het eerkomende statistiektentamen zal 60% van de deelnemers slagen.
Opgave 1.2
Twee studenten hebben een afstudeeronderzoek uitgevoerd. In hun verslag vermelden zij alleen dat zij een
enquête hebben gehouden (de enquête is een bijlage van hun verslag opgenomen) en wat de resultaten zijn
(er wordt een aantal tabellen gepresenteerd).
Voldoen hun onderzoek aan de eisen van een wetenschappelijk onderzoek? Motiveer uw antwoord.
Nee, er is geen probleemstelling én er is geen interpretatie van de gegevens. Over andere aspecten kan niet
worden geoordeeld omdat daar niets over wordt vermeld
Opgave 1.3
Swanborn onderscheidt in zijn empirische cyclus vijf fasen: (1) probleemstelling, (2) informatieverzameling,
(3) inductie, (4) deductie en (5) toetsing/evaluatie.
Geef van elk van onderstaande passages aan tot welk van deze vijf fasen zij behoren:
1. Inductie Drukke/beweeglijke leerlingen leveren lagere schoolprestaties vanwege
concentratiestoornissen.
2. Probleemstelling Leveren drukke/beweeglijke leerlingen slechtere schoolprestaties dan andere
leerlingen en wat zouden eventuele oorzaken daarvan kunnen zijn?
3. Informatieverzameling Het observeren van leerlingen om de mate van beweeglijkheid vast te
stellen, het afnemen van de ACT (Algemene Concentratietest) en het nagaan wat de Cito-
toetsscore is van elke leerling).
4. Toetsing/evaluatie Leerlingen met lage concentratiescores op de Algemene Concentratietest
behalen even hoge Cito-toetsscores als leerlingen met hoge concentratiescores.
5. Deductie Leerlingen met lage concentratiescores zullen lagere Cito-toetsscores behalen.
Opgave 1.4
De vijf kenmerken van wetenschappelijk onderzoek zijn:
1. Probleemstelling;
2. Systematiek;
3. Onafhankelijkheid van de persoon van de onderzoeker;
4. Openbaarheid;
5. Weerlegbaarheid.
Geef van elk van onderstaande passages aan op welk van deze vijf kenmerken de desbetreffende passage
betrekking heeft.
a. In het kader van een onderzoek houden de beide onderzoekers Van Houwelingen en Cousijnzen
interviews. Deze interviews zijn willekeurig verdeeld onder beide onderzoekers. Van Houwelingen
heeft vooral opgewekte, optimistische respondenten geïnterviewd en Cousijnzen vooral sombere,
pessimistische respondenten.
De resultaten zijn klaarblijkelijk niet onafhankelijk van de persoon van de onderzoeker en
waarschijnlijk mankeert het ook aan systematiek in de manier van interviewen.
b. Na een analyse van de enquêteresultaten komt de onderzoeker tot de conclusie dat als de
eerstejaars studenten pedagogie er in slagen om hun aanpassingsmoeilijkheden te overwinnen, velen
hun eerste jaar met succes zullen afronden.