W1 Introductie
Leerdoelen:
- De DIO is in staat om zelfstandig met het boek Diëtistisch Consult te gaan oefenen met
casuïstiek en maakt gebruik van www.dietetiekvaardig.nl
- De DIO is op de hoogte van de beoordelingscriteria van de diagnosetoets en van de
voorwaarden waarop aan de diagnosetoets kan worden deelgenomen
- De DIO is op de hoogte van de gespreksstijl Motiverende gespreksvoering (MGV)
- De DIO is in staat om feedback te geven en feedback te ontvangen over zijn/haar handelen
als diëtist in het diëtistisch consult volgens de regels van het geven en ontvangen van
feedback
- De DIO heeft ervaren nog onbekwaam te zijn t.a.v. het uitvoeren van het diëtistisch consult
Het Diëtistisch Consult – H1 Gespreksvaardigheden
Luistervaardigheden
Door het toepassen van luistervaardigheden laat je de cliënt merken dat je hem hoort en begrijpt. Je
geeft de cliënt de ruimte om zijn verhaal te doen en problemen rustig te verkennen.
Aandachtgevend gedrag bestaat uit non-verbaal en verbaal gedrag.
Non-verbale gedragingen zijn bijvoorbeeld oogcontact, hoofdknikken en ondersteunende
handgebaren. Verbale aandachtgevende gedragingen zijn bijvoorbeeld ‘’hummen’’ en het gebruik van
kleine aanmoedigingen en van stiltes. Verbaal volgen stimuleert de cliënt om zijn eigen gedachtespoor
te volgen. De genoemde non-verbale en verbale aanmoedigingen mogen niet zo vaak voorkomen dat
ze de cliënt afleiden van zijn verhaal. Doel van aandachtgevend gedrag is een situatie te creëren
waarin de cliënt gestimuleerd wordt vrijuit en in alle rust over zijn problemen te praten.
- Geïnteresseerde lichaamshouding
- Geïnteresseerde gezichtsuitdrukking
- Stimulerend oogcontact
- Kleine non-verbale aanmoedigingen
- Kleine verbale aanmoedigingen
- Korte, aandachtige stiltes
- Is waar nodig gegeven (om cliënt te stimuleren verder te praten)
- Is juist gedoseerd uitgevoerd (stimulerend, maar niet storend)
Vragen stellen
Vragen kunnen een open of gesloten karakter hebben. Open vragen geven de cliënt alle ruimte in
zijn beantwoording. Het doel hiervan is dat de cliënt vanuit zijn eigen referentiekader praat en
zelf richting en inhoud geeft aan het gesprek. Gesloten vragen, vragen naar iets specifieks of naar
feitelijke en eenvoudige informatie, beperken de cliënt in zijn antwoordmogelijkheden. Deze vragen
zijn geïndiceerd als je iets specifieks wilt weten of als de cliënt weerstanden vertoont om een
bepaald onderwerp te bespreken.
- Is duidelijk geformuleerd
- Verwijst slechts naar één onderwerp tegelijk
- Behelst geen vooronderstellingen (is neutraal gesteld)
- Open vragen bij probleemexploratie
- Gesloten vragen als je iets specifieks wilt weten
- Is juist gedoseerd uitgevoerd
Doorvragen houdt in dat je meer nauwkeurig en precies wilt weten wat de cliënt bedoelt. Tevens
kunnen verschillen in interpretaties helder worden. Hierdoor wordt een meer gedifferentieerd inzicht in
(de problematiek van) de cliënt verkregen. Daarnaast geeft doorvragen de cliënt het gevoel dat hij
serieus wordt genomen. Het doorvragen bestaat bij voorkeur uit open vragen die verder ingaan op een
bepaald onderwerp. Het doorvragen kan plaatsvinden met betrekking tot verschillende aspecten van
een probleem of klacht. Het gesprek mag echter niet het karakter krijgen van een kruisverhoor.
- Is bij voorkeur open gesteld
- Sluit aan op wat de cliënt zojuist heeft gezegd
- Is zo nodig gericht op verschillende aspecten van de situatie
- Is waar nodig gesteld (vooral bij vage uitspraken)
1
, - Is juist gedoseerd uitgevoerd (dus niet te gedetailleerd)
Parafraseren is een vaardigheid waarbij je kort in eigen woorden een weergave geeft van de
belangrijkste inhoudelijke informatie die de cliënt juist daarvoor heeft gegeven. Door te parafraseren
kun je begrip tonen; de parafrase wordt dan op bevestigende toon uitgesproken. Als je wilt nagaan
of je de cliënt goed begrepen hebt of je wilt de informatie van de cliënt preciezer weergeven, dan
wordt de parafrase op een veronderstellende toon uitgesproken. Hierdoor krijgt de cliënt de
gelegenheid tot correctie.
- Geeft kort en duidelijk de essentie weer van hetgeen de cliënt het laatst gezegd heeft
- Er mogen geen veronderstellingen in doorklinken (zijn neutraal gesteld)
- Is met de juiste intonatie uitgesproken (bevestigend of veronderstellend)
- Is waar nodig gegeven (er blijven geen relevante zaken liggen)
- Is juist gedoseerd uitgevoerd (er wordt voldoende begrip getoond, maar het verhaal van de
cliënt wordt niet onderbroken)
Reflecteren van gevoel
Reflecteren betekent het kort in eigen woorden weergeven van de belangrijkst gevoelens die in de
woorden van de cliënt doorklinken en uit de houding van de cliënt naar voren komen. Met het
reflecteren van gevoel beoog je dezelfde doelen die bij het parafraseren genoemd zijn: tonen van
begrip, nagaan of je de cliënt goed begrijpt en preciezer weergeven wat de cliënt bedoelt.
In het begin van een gesprek of een gesprekkenreeks zul je de cliënt veelal volgen door dicht bij het
referentiekader van de cliënt te blijven. In het verloop van het gesprek of een gesprekkenreeks zul je
meer gebruik maken van nuancerende reflecties (oftewel nuancerende empathische reacties). Dit zijn
reflecties van onderliggende gevoelens, van gevoelens ‘’ tussen de regels door ‘’. Je probeert de
diepere betekenis van het probleem te achterhalen en te begrijpen vanuit de situatie van de cliënt.
- Geeft kort en duidelijk de essentie weer van de gevoelens van de cliënt
- Is in eigen woorden gesteld
- Is inhoudelijk correct
- Stemt qua intensiteit overeen met de door de cliënt geuite gevoelens
- Bevat geen waardeoordelen
- Bevat zo nodig de context (wanneer, wie of wat)
- Is met de juiste intonatie uitgesproken (bevestigend of veronderstellend)
- Is waar nodig gegeven (er blijven geen belangrijke gevoelens liggen)
- Is juist gedoseerd uitgevoerd (er wordt voldoende begrip getoond, het verhaal van de cliënt
wordt niet onderbroken)
Concretiseren is een samengestelde vaardigheid. De eerdergenoemde vaardigheden luisteren,
aanmoedigen, open en gesloten vragen stellen, parafraseren en reflecteren, kunnen ertoe bijdragen
dat concretiseren plaatsvindt. Als diëtist hecht je waarde aan gedetailleerde informatie. Met de
hiervoor genoemde vaardigheden achterhaal je, afhankelijk van je doel, specifieke informatie met
betrekking tot: de situatie, het gedrag, de gedachten en de gevoelens van de cliënt over/in de situatie,
reacties van anderen in de situatie en/of wat er voorafgaand en na de situatie gebeurde.
Samenvatten
Een samenvatting is een weergave in eigen woorden van de belangrijkst elementen van het verhaal
van de cliënt. Door samenvattingen ga je na of je de cliënt goed begrepen hebt. Tevens beoog je
door een samenvatting structuur aan te brengen in het gesprek en de cliënt te stimuleren tot
verdere exploratie van zijn gedachten of gevoelens.
- Ordent kort en duidelijk de hoofdzaken van wat de cliënt heeft gezegd
- Wordt in eigen woorden gegeven
- Bevat de juiste inhouden
- Geeft de cliënt de gelegenheid te reageren
- Is waar nodig gegeven (als de cliënt alles verteld heeft over een onderwerp, bij overgangen en
aan het einde van het gesprek)
- Is juist gedoseerd uitgevoerd (dus mag het verhaal van de cliënt niet storen)
Daar waar de luistervaardigheden met name een functie hebben tijdens de fase van het diëtistisch
onderzoek, spelen de nuancerende vaardigheden vooral een rol op weg naar gedragsverandering.
Ze helpen de cliënt meer inzicht te verkrijgen in problemen en met het veranderende perspectief op de
2
, huidige situatie doelen helder voor ogen te krijgen.
Nuancerende empathie
Door begrip te tonen door gevoelens te reflecteren bied je bij nuancerende empathie ook verdergaand
inzicht in wat er in de cliënt omgaat.
- Reflecteert gevoel en daarnaast een constructieve kijk op het probleem
- Legt verbanden die cliënt (nog) niet bewust heeft uitgesproken
- Levert vaak belangrijke informatie op door de toon van de informatie
- Zet hoofdzaken op een rij
- Ordent informatie, met als doel een meer genuanceerde kijk op problemen
Confronteren
Door een confrontatie geef je discrepanties weer in het gedrag van de cliënt. Er kunnen vier soorten
confrontaties onderscheiden worden. Confrontaties kunnen betrekking hebben op:
1. Tegenstrijdige uitspraken of gevoelens van de cliënt
2. Discrepantie tussen inhoud van wat de cliënt zegt en zijn non-verbale gedrag
3. Discrepantie tussen de manier waarop je de cliënt ervaart en waarneemt en de wijze waarop
de cliënt zich presenteert
4. Een verheldering van foutieve of gebrekkige informatie van de cliënt
Deze confrontaties beogen bewustwording van de cliënt. Dit kan de cliënt helpen meer inzicht te
krijgen op zijn problemen en de wijze waarop hij daarmee omgaat.
- Bevat informatie over tegenstrijdige uitspraken of gevoelens
- Bevat informatie over discrepanties tussen wat de cliënt zegt en zijn non-verbale gedragingen
- Bevat informatie over discrepanties tussen de manier waarop je de cliënt ziet en de wijze
waarop de cliënt zich presenteert
- Verheldert foutieve of gebrekkige informatie van de cliënt over zijn problemen en de wijze van
omgaan daarmee
- Is met de juiste intonatie (veronderstellend) uitgesproken
- Bevat geen waardeoordelen
- Is waar nodig gegeven
- Is juist gedoseerd uitgevoerd
Positief her-etiketteren is het toekennen van een gunstige betekenis door de diëtist aan de als
negatief ervaren klachten en problemen van de cliënt. Zowel een problematische situatie als het
motief voor het gedrag van de cliënt kan op een gunstige manier geïnterpreteerd worden. Dit soort
interpretaties beogen: het wijzigen van het negatieve zelfbeeld van de cliënt, een meer genuanceerde
kijk op problemen en/of een meer relativerende kijk op de normen die de cliënt zichzelf oplegt.
Positief her-etiketteren mag niet verward worden met het geruststellen van de cliënt of het naar voren
brengen van positieve kanten van een bepaald probleem. Voorkomen moet worden dat het probleem
van de cliënt gebagatelliseerd (=afgezwakt) wordt.
- Bevat een gunstige interpretatie van een problematische situatie van de cliënt
- Bevat een relativering van een te hoge norm van de cliënt
- Is waar nodig gegeven
- Is juist gedoseerd uitgevoerd (er wordt voorkomen dat problemen worden gebagatelliseerd)
Geven van informatie
Op verschillende momenten in een gesprek geef je informatie aan de cliënt. Informatie wordt verstrekt
ten bate van de cliënt. Het is noodzakelijk dat de cliënt de informatie begrijpt en onthoudt. Informatie
wordt beter begrepen als ze concreet is, in begrijpelijke taal wordt verstrekt en aan het
begripsvermogen van de cliënt is aangepast. Informatie wordt beter onthouden wanneer ze in
kleine hoeveelheden wordt aangeboden (twee of drie zinnen). Informatie kan op verschillende
momenten in een gesprek gegeven worden. Ook kan informatie gegeven worden naar aanleiding van
vragen of klachten van de cliënt.
- Is duidelijk en concreet
- Is gegeven in begrijpelijke taal en aangepast aan het begripsvermogen van de cliënt
- Is in kleine hoeveelheden aangeboden
- Is waar nodig gegeven (bij begin, bij overgangen, bij vragen cliënt, bij eind)
- Is juist gedoseerd uitgevoerd
3