Studentgegevens
Naam student:
Studentnummer: Klas:
OEFEN TENTAMEN
Kruis hiernaast
naam van de eigen
vakdocent aan:
Ik weet het niet/ik volgde geen les
VEEL SUCCES!
Algemene tentamengegevens
Academie AE&I Fase Minor IM
Technische
Opleiding Bedrijfskunde
Onderwijsvorm VT / DT
Kennis- en
Naam vak Vakcode (studievolg) TMTB-IMKPMA
Personeelsmanagment
Subtitel Examinator(en) BTH AHLERS
Datum
Tijd Aantal opgaven 20 MK, 3 open
Aantal pagina’s
6 Aantal delen 1
inclusief voorblad
Bijzonderheden
(X) Lijntjes ( ) Kladpapier ( ) Schrapkaart 1-5 meerkeuze
Papier:
(kruis aan wat van ( ) Ruitjes ( ) Transparant ( ) Schrapkaart J/N
toepassing is)
( ) Anders nl: ( ) Geen
Opgaven inleveren? Ja, maar niet vastnieten aan de antwoordvellen (zie opmerkingen)
(X) Geen hulpmiddelen toegestaan
( ) Rekenmachine
( ) Boeken: Titel, Auteur
Toegestane
hulpmiddelen: Anders nl:
• Meerkeuzevragen niet op het opgavenblad aankruisen, maar op je
antwoordvel schrijven.
Opmerkingen
• Tentamenopgaven inleveren, maar niet aan het gemaakte werk
vastnieten aub!
Contactpersonen
(werkruimte,
telefoon):
Elke student wordt geacht de bepalingen m.b.t. het afleggen van de tentamens te
kennen.
, Meerkeuzevragen
Onderstaande vragen zijn ontleend aan de theorieën en modellen uit de tweede editie van Leerboek
HRM van Kluijtmans.
1. Welke van de volgende uitspraken over arbeidsrelaties is juist?
a. Een arbeidsrelatie is van nature een relatie van spanning, omdat de verschillende dimensies
van een arbeidsrelatie een andere houding van de partijen vraagt.
b. Een arbeidsrelatie kent drie dimensies: een ruil-, een samenwerkings- en een gezagsrelatie.
c. Een arbeidsrelatie is de relatie die een werknemer aangaat met een werkgever om arbeid te
leveren en waarvoor hij in ruil een beloning ontvangt.
d. Alle gegeven uitspraken zijn juist.
2. Een bedrijf raamt de toekomstige behoefte aan personeel op basis van voorspellingen omtrent de
dollarkoersen. Welke methode om de benodigde personeelsomvang te ramen wordt hier gebruikt?
a. correlatiemethode
b. Delphi-methode
c. EFTE-methode
d. extrapolatiemethode
3. Beoordeel de volgende stellingen.
Stelling 1. Uit een standaard-IDU matrix kan men afleiden wat de uitstroom is van
medewerkers die gedurende het jaar zijn aangetrokken.
Stelling 2. Uit een standaard-IDU-matrix kan men afleiden wat de doorstroomintensiteit is van
een organisatie.
a. Alleen stelling 1 is juist
b. Alleen stelling 2 is juist
c. Beide stellingen zijn juist
d. Beide stellingen zijn onjuist
4. Externe werving heeft ten opzichte van interne werving onder andere het volgende nadeel:
a. Met externe werving kan zich het zogenoemde ‘peter-principle’ voordoen
b. Met externe werving krijgt men met hogere kosten te maken
c. Bij externe werving kan er competitie ontstaan tussen werknemers
d. Bij externe werving is de kans op willekeur groter
5. Bij een sollicitatieprocedure binnen bedrijf X worden verschillende selectie-instrumenten
overwogen. Bij welke methode zal de voorspellende waarde het hoogst zijn?
a. arbeidsproeven
b. ongestructureerd interview
c. sollicitatieformulier
d. grafologie
Elke student wordt geacht de bepalingen m.b.t. het afleggen van de tentamens te kennen