1 Anatomie en fysiologie van de huid
De huid van volwassen mens is grootste orgaan van lichaam, het heeft oppervlak van 1,5 tot 2 m². Een normale huid is essentieel
voor de overleving omdat hij instaat voor de thermale regeling, hij voorkomt uitdroging en vormt barrière tegen chemische, fysische
en infectieuze toestanden. De huid is echter geen uniform orgaan, het voorkomen en dikte variëren afhankelijk van anatomische
plaats. De huid is het dikst op de zolen van de voeten (2 mm) en is het dunst op de oogleden (0,1 mm). De huid wordt anatomisch
onderverdeeld in twee grote lagen: de epidermis en de dermis. De epidermis vormt oppervlakkige beschermende laag en dermis
geeft de huid stevigheid en elasticiteit. Deze lagen maken deel uit van de echte huid. Het subcutaan weefsel of subcutis is dieper
gelegen onder dermis, hangt vast aan de fascia, en wordt soms als deel van de anatomie van de huid meegerekend.
De epidermis (opperhuid) bestaat volledig uit cellen. Het meest voorkomende celtype in epidermis zijn de keratinocyten. Zij maken
ongeveer 90% van cellen in epidermis uit. De keratinocyten hebben een levensloop van ongeveer 28 dagen, waarin zij beginnen
als kubische delende cel in de onderste laag van de epidermis, de stratum basale. Vanhier zullen zij zich naar boven verplaatsen
totdat ze in de stratum corneum uitkomen. Tegen die tijd zijn de cellen dood en geheel verhoornd geraakt, en zullen ze van huid
afschilferen. De verbinding tussen de afzonderlijke opperhuidcellen is van groot belang voor de bescherming van de huid, onder
andere tegen uitdroging. De opperhuid is normaal slechts enkele tienden van een millimeter dik, waarbij de hoornlaag niet meer
is dan een dun vliesje. Op plaatsen waar huid veel eelt bevat, zoals de handpalmen en de voetzolen, is de hoornlaag extra dik.
Doordat de cellen in basale laag zich voortdurend delen en deze uiteindelijk aan bovenkant afschilferen, vernieuwt opperhuid zich
ongeveer één keer per maand. Het vermogen tot aanmaak van nieuwe cellen in basale laag, maakt dat de huid bij een verwonding
vrij snel dichtgroeit. De delingsactiviteit van de basale laag wordt door verschillende factoren bepaald. Bij jonge mensen verloopt
de celdeling sneller dan bij ouderen. De afschilfering aan het oppervlak is, behalve op het behaarde hoofd bij roos, niet zichtbaar.
In de opperhuid bevinden zich behalve de keratinocyten nog melanocyten. Melanocyten zijn pigmentcellen die tussen de cellen
van basale cellaag liggen en de pigmentkorrels maken die via uitlopers worden overgedragen aan de keratinocyten. Het pigment
van de pigmentkorrels, het melanine, bepaalt voor een belangrijk deel de kleur van de huid en beschermt ons tegen zonlicht. Hoe
meer pigmentkorrels, hoe donkerder de huid. De opperhuid vormt in zijn geheel een natuurlijke barrière tegen chemische stoffen
en fysische invloeden zoals zuren, uitdroging en beschadiging door zonlicht. De huid beschermt ons ook tegen binnendringen
van bacteriën, schimmels en virussen.
1
,Tussen epidermis en dermis bevindt zich de lamina basalis. De dermis (lederhuid) is 1-3 mm dikke bindweefsellaag. Deze bestaat
voornamelijk uit bindweefselcellen (fibroblasten), bindweefselvezels (collageen en elastine) en een gel-achtige grondsubstantie
(proteoglycans en glycoproteïnen). De onderkant van opperhuid en de bovenkant van de lederhuid zijn niet vlak. De grens vertoont
een sterk golvend patroon met in- en uitstulpingen waardoor beide lagen in elkaar grijpen en opperhuid in de lederhuid verankerd
ligt. De uitstulpingen van de lederhuid in de opperhuid zitten vol met hele kleine bloedvaatjes (haarvaatjes) en lymfevaatjes, van
waaruit de bovenliggende opperhuid wordt gevoed en afvalstoffen worden afgevoerd. Meer naar onderen in de lederhuid bevindt
zich een dicht vlechtwerk van grotere bloedvaatjes en lymfevaatjes. Andere zenuwvezels verzorgen de talg- en zweetklieren, de
spiertjes rond de haren en de bloedvaatjes. De hele dermis wordt doorkruist door een complex van elastinevezels. Zij vormen
samenhangend, vertakkend complex met de collagene bundels. De innige functionele samenwerking tussen collageen en elastine
in dermis komt tot uiting in de huidlijnen van Langer. De hoofdrichtingen van de collagene en elastine vezels in dermis bepalen
de wijze waarop in de verschillende regionen van de huid een incisie moet worden gemaakt.
De bloedvaten in de huid zijn niet alleen verantwoordelijk voor voeding (en zuurstofvoorziening) van huid zelf, maar ook voor het
regelen van lichaamstemperatuur. De huiddoorbloeding bepaalt in belangrijke mate de hoeveelheid warmte die aan buitenwereld
wordt afgegeven. De vezels in huid bepalen rekbaarheid en de trekvastheid. Hoe ouder de huid, des te minder rekbaar en trekvast
deze is. De tastzin van de mens komt voor uit de talrijke zenuwuiteinden in de lederhuid. Het onderhuidse bindweefsel (subcutis)
bestaat voornamelijk uit vet. Het heeft belangrijke functie als warmte-isolerende laag, energieopslagplaats en stootkussen.
De talgklieren zijn verspreid over de gehele huid, behalve op de handpalmen en de voetzolen. Zij liggen altijd naast een haarfollikel
en monden daarin uit. Talg bestaat uit mengsel van allerlei vettige stoffen die huid soepel houden en beschermen tegen uitdroging.
Gemiddeld zijn er zo’n kleine honderd talgklieren op ieder vierkante centimeter. In het gezicht, op het midden van de borst en rug
en op het behaarde hoofd loopt dit aantal talgklieren op tot bijna duizend. Mensen met hoge talgproductie hebben dan ook vaak
last van vet haar. Zweetklieren komen over gehele lichaam voor en spelen belangrijke rol bij regelen van lichaamstemperatuur.
Bij emoties of nervositeit scheiden vooral klieren in gelaat en handpalmen veel zweet af. Haren bestaan uit dood hoornmateriaal.
Een haar ontspruit uit een zakje, dat samen met talgklier een haarfollikel vormt. Met uitzondering van de lippen, de handpalmen
en voetzolen zijn er over het gehele lichaam haarfollikels te vinden. De crypten van de haarfollikels zijn belangrijk omdat zij een
continuïteit vormen met de epidermis en daarom een bron kunnen zijn van epidermcellen tijdens epidermale regeneratie. Onder
de dermis ligt de subcutis een laag die bestaat uit bind- en vetweefsel.
2
,2 Types van weefselherstel
Verschillende soorten weefselherstel:
Turn-over: proces op cellulair niveau (epidermis, bloedcellen) waarbij cellen constant vernieuwd worden vanuit germinatief
compartiment om het verlies te compenseren in het gedifferentieerde compartiment.
Compensatoire groei: wanneer orgaan verhoogde activiteit moet vertonen, dan zal dit orgaan groter worden. Een sporthart
is een goed voorbeeld van compensatoire groei bij verhoogde fysiologische nood door training.
Atrofie: eerder weinig of geen groei dan weefseldestructie. Bij atrofie blijven meestal voldoende cellen aanwezig die, indien
er een verhoogde fysiologische behoefte bestaat, terug het gehele orgaan of weefsel kunnen opbouwen.
Regeneratie: verschijnsel waarbij beschadigde organen volledig worden hersteld. In de meeste gevallen, zoals bij kikkers
en salamanders betreft het alleen vervanging van ledematen. Regeneratie is bij de mens echter zeldzaam. Als klein stukje
lever wordt getransplanteerd, kan deze weer uitgroeien tot oorspronkelijke grootte. Bij jonge kinderen komt het voor dat
vingertopjes nog geheel kunnen worden hersteld. Veel hoop wordt momenteel gesteld is stamcellen. Een stamcel is een
basiscel die uit kan groeien tot welke cel dan ook en zelfs beschadigde cellen kan lokaliseren en vervangen.
Wondheling: alle weefsels, behalve tanden, kunnen schade herstellen.
3 Wondgenezing
In normale omstandigheden vormt huid een bescherming tegenover de buitenwereld. Eens deze beschermende laag onderbroken
wordt het wondhelingsproces op gang gebracht. De genezing van een wonde kan schematisch in drie fasen verdeeld:
1) Reactiefase: bacteriën worden gefagocyteerd en verwijderd; vrijzetting factoren die leiden tot migratie en deling van cellen.
2) Proliferatiefase: angiogenese, depositie van collageen, vorming van granulatieweefsel, epithelialisatie en wondcontractie.
3) Remodelleringsfase: remodellatie collageen, verwijdering van cellen die niet meer nodig zijn, evolutie tot stabiel litteken.
3.1 Reactiefase
De reactiefase is gekenmerkt door optreden vasodilatatie en verschijnen van granulocyten en macrofagen in beschadigde gebied.
De reactie van lichaam op verwonding is dezelfde als die op ontsteking met als symptomen roodheid, warmte, zwelling en pijn.
Onmiddellijk na trauma zijn reeds intrinsieke en extrinsieke stollingsmechanismen in werking getreden met als eerste doel het
afsluiten van beschadigde vaten. Na enkele uren is gekwetste streek verzadigd met granulocyten en macrofagen. Granulocyten
en macrofagen ruimen de dode weefsels, corpora aliena en de bacteriën op.
3.2 Proliferatiefase
De proliferatiefase wordt bevorderd door aanwezigheid vitamine A maar kan door corticosteroïden geremd worden. Er ontstaat
zowel regeneratie van endotheelcellen (binnenwand haarvaten), vorming van nieuwe bloedvaatjes (angiogenese) en regeneratie
van fibroblasten (bindweefsel vormende cellen). Deze fibroblasten beginnen reeds na enkel dagen met productie van collageen,
noodzakelijk voor wondheling. Deze proliferatiefase is gekenmerkt door het verschijnen van het granulatieweefsel in de wonde,
een rood gemakkelijk bloedend weefsel bestaande uit de capillaire knoppen met daaronder zich vormend collageen.
Epithelialisatie: regeneratie epitheel start vanuit een proliferatie van cellen in rand van wonde. Wanneer direct contact is tussen
migrerende epitheelcellen van twee wonduiteinden, spreekt men van primaire heling. De epitheelcellen komen vanuit wondrand
of resten van haarfollikels en zweetklieren. Reepithelialisatie gaat vlugst bij die wonden waar basale membraan intact is gebleven.
3
, 3.3 Remodelleringsfase
Deze fase overlapt regeneratiefase voor een deel en wordt gekenmerkt door verkleining van het wondoppervlak (wondcontractie)
en toename van littekensterkte. Nieuwe collageenmoleculen worden gevormd, oudere worden afgebroken. Dit proces kan echter
met stoornissen gepaard gaan. Inderdaad wanneer de synthese van collageen overweegt op de lysis ervan dan ontstaat een
hypertrofisch litteken (keloïdvorming). In het tegenovergestelde geval ontstaat een atrofisch litteken.
Wondcontractie: wordt gedefinieerd als het mechanisme waarbij de uiteinden van een wonde dichter tot bij het centrum worden
getrokken, door krachten opgebouwd binnen de wonde. Wanneer verwonding optreedt in gebied waar voldoende weefselmobiliteit
is, dan is wondcontractie een vrij efficiënt mechanisme voor sluiten van wonde. Bij bepaalde wonden kan zelfs vanuit chirurgisch
standpunt het sluiten van de wonde via wondcontractie een goede zaak zijn. Anderzijds kan wondcontractie leiden tot ernstige
contracturen of misvormingen. De cel die tussenkomt in de wondcontractie is de myofibroblast. Myofibroblasten bevatten actine-
myosinefilamenten zoals gezien bij gladden spiercellen.
4 Stoornissen in de wondgenezing
Het proces van de wondgenezing kan op talrijke manieren worden gestoord. De factoren die daarbij een rol spelen kunnen in
twee categorieën worden verdeeld, namelijk de endogene en de exogene factoren.
Endogene factoren: stollingsstoornissen; immuunziekte; hypoxie weefsels door hypovolemie en vaatziekte; insulinetekort;
malabsorptie en leverfunctiestoornissen.
Exogene factoren: radiotherapie; automutilatie bij psychische stoornissen, jeuk en sensibiliteitsstoornissen; infecties door
hematomen, corpora aliena, slechte vascularisatie wondranden, onvoldoende debridement en ruwe chirurgische techniek;
voedingsstoornissen bij ernstige verwondingen, avitaminose of hongeroedeem; intoxicatie door medicamenteuze therapie
(corticosteroïden, kankerchemotherapeutica).
Gestoorde wondgenezing na chirurgisch ingrepen kan soms aanleiding geven tot ernstige complicaties. Wanneer buikwonde niet
ongestoord geneest kan wonddehiscentie optreden. Hierbij is fascia volkomen insufficiënt geworden, maar de huid blijft door de
hechtingen nog gesloten. Wanneer de huid over het defect geneest, zal zich later littekenbreuk openbaren die naderhand operatief
moet worden opgeheven. Wanneer ook huidincisie openscheurt ontstaat er wonddisruptie. De buikinhoud kan naar buiten komen:
evisceratie of eventratie. Vooral ernstige distentie van darmen, hoesten en braken spelen daarbij een rol, evenals wondhematoom.
5 Wondbehandeling
Men kan de wonde niet doen genezen maar men kan wel proberen het genezingsproces zo optimaal te doen verlopen. Hiervoor
moet men de wonde reinigen, sluiten en beschermen.
5.1 Wondreiniging
Een propere wonde kan genezen. Nochtans is elke wonde door bacteriën gecontamineerd en bijgevolg per definitie besmet, maar
aanvankelijk nog niet geïnfecteerd. Van infectie spreekt men zodra er meer dan 106 micro-organismen per cm3 aanwezig zijn.
Een gezond lichaam is in staat zich tegen deze bacteriële vermenigvuldiging te verzetten. De omstandigheden veranderen echter
wanneer de wonde dood weefsel of vreemd lichaam bevat. In dat geval kan een honderdtal micro-organismen zich reeds binnen
enkele uren vermenigvuldigen tot 1.000.000. Vandaar het belang van goede wondreiniging.
4