Samenvatting Anatomie en Fysiologie H4 ‘Ademhaling’
§ 4.1 Ademhalingsweg
Als je inademt legt lucht de volgende weg af: neus/mondholte, keelholte, strottenhoofd,
luchtpijp (die zich vertakt) en beide longen. Bij uitademing precies omgekeerd.
§ 4.1.1 Neusholte
De neusholte wordt door het neustussenschot in twee helften verdeeld. Zijwanden neusholte
neusvleugels. In de neusholte bevinden zich 3 neusschelpen met slijmvlies bekleed
verdeeld elke neushelft in ruimten. Ruimte onder neusschelpen neusgangen. In ruimte
boven neusschelp zitten zintuigcellen waarmee je kunt ruiken. Door neusslijmvlies wordt
ingeademde lucht verwarmd en bevochtigd. Het reukslijmvlies waarschuwt je voor eventuele
giftige stoffen. Neusholte staat in verbinding met neusbijholtes (holten/sinus in bijv. kaak en
voorhoofdsbeen). Deze zijn bekleed met slijmvlies. Ze vormen de klankruimten bij
stemvorming. Je kan het beste door je neus inademen.
§ 4.1.2 Keelholte
Keelholte (farynx) heeft naar beneden toe 2 openingen, 1 strottenhoofd, 1 slokdarm, en
staat in verbinding met het middenoor via beide buizen van Eustachius.
§ 4.1.3 Strottenhoofd
Strottenhoofd (larynx) ligt in hals en vormt verbinding tussen keelholte en luchtpijp. We
kunnen strottenhoofd onderscheiden aan:
- Het beweeglijke schildkraakbeen (vooruitstekende punt adamsappel)
- Het onbeweeglijke ringkraakbeen (achterzijde verbreed zegelring)
- Twee bekerkraakbeentjes (belangrijk bij aanspannen stembanden en vergroten/ verkleinen
van stemspleet)
Strotklepje bestaat uit elastisch kraakbeen en sluit tijdens slikken luchtpijp af. Aan
binnenzijde bevinden zich de stembanden (dwarsgestreepte spiertjes, bevindt zich tussen
schildkraakbeen en bekerkraakbeentjes). Toonhoogte is afhankelijk van lengte en spanning,
maar ook van mondholte, tong, lippen en neusholte. Tussen 12e en 20e jaar worden
stembanden sterk verlengd (vooral bij jongens).
§ 4.1.4 Luchtpijp
Luchtpijp (trachea) ligt in hals en borstholte. Splitst zich in 2 luchtpijptakken: bronchus.
Beide luchtpijptakken: bronchiën. Wand van luchtpijp bestaat van binnen naar buiten uit:
- Trilhaarepitheel met slijmcellen (zeer gevoelig, prikkeling door stof hoestreflex)
- Bindweefsel (veel bloedvaten en zenuwen)
- Glad spierweefsel
- Hoefijzervormige kraakbeenstukken (houden luchtpijp open)
§ 4.1.5 Longen
Iedere long bevat zo’n 150 miljoen longblaasjes. Beiden longen zijn omgeven door een
dubbel vlies:
- Buitenste blad, borstvlies, vergroeid met binnenzijde borstkas en middenrif
- Binnenste blad, longvlies, is op longoppervlak gelegen
In ruimte tussen beide vliezen (de pleuraholte) bevindt zich het pleuravocht.
§ 4.2 Gaswisseling
In de longblaasjes vindt uitwisseling van gassen plaats, wat berust op diffusie (stof beweegt
zich van plaatsen waar grotere hoeveelheid van die stof bevindt, naar kleinere hoeveelheid).
§4.3.1 Inademing
Inademing is gevolg van groter worden van de borstholte, dit wordt vergroot door:
§ 4.1 Ademhalingsweg
Als je inademt legt lucht de volgende weg af: neus/mondholte, keelholte, strottenhoofd,
luchtpijp (die zich vertakt) en beide longen. Bij uitademing precies omgekeerd.
§ 4.1.1 Neusholte
De neusholte wordt door het neustussenschot in twee helften verdeeld. Zijwanden neusholte
neusvleugels. In de neusholte bevinden zich 3 neusschelpen met slijmvlies bekleed
verdeeld elke neushelft in ruimten. Ruimte onder neusschelpen neusgangen. In ruimte
boven neusschelp zitten zintuigcellen waarmee je kunt ruiken. Door neusslijmvlies wordt
ingeademde lucht verwarmd en bevochtigd. Het reukslijmvlies waarschuwt je voor eventuele
giftige stoffen. Neusholte staat in verbinding met neusbijholtes (holten/sinus in bijv. kaak en
voorhoofdsbeen). Deze zijn bekleed met slijmvlies. Ze vormen de klankruimten bij
stemvorming. Je kan het beste door je neus inademen.
§ 4.1.2 Keelholte
Keelholte (farynx) heeft naar beneden toe 2 openingen, 1 strottenhoofd, 1 slokdarm, en
staat in verbinding met het middenoor via beide buizen van Eustachius.
§ 4.1.3 Strottenhoofd
Strottenhoofd (larynx) ligt in hals en vormt verbinding tussen keelholte en luchtpijp. We
kunnen strottenhoofd onderscheiden aan:
- Het beweeglijke schildkraakbeen (vooruitstekende punt adamsappel)
- Het onbeweeglijke ringkraakbeen (achterzijde verbreed zegelring)
- Twee bekerkraakbeentjes (belangrijk bij aanspannen stembanden en vergroten/ verkleinen
van stemspleet)
Strotklepje bestaat uit elastisch kraakbeen en sluit tijdens slikken luchtpijp af. Aan
binnenzijde bevinden zich de stembanden (dwarsgestreepte spiertjes, bevindt zich tussen
schildkraakbeen en bekerkraakbeentjes). Toonhoogte is afhankelijk van lengte en spanning,
maar ook van mondholte, tong, lippen en neusholte. Tussen 12e en 20e jaar worden
stembanden sterk verlengd (vooral bij jongens).
§ 4.1.4 Luchtpijp
Luchtpijp (trachea) ligt in hals en borstholte. Splitst zich in 2 luchtpijptakken: bronchus.
Beide luchtpijptakken: bronchiën. Wand van luchtpijp bestaat van binnen naar buiten uit:
- Trilhaarepitheel met slijmcellen (zeer gevoelig, prikkeling door stof hoestreflex)
- Bindweefsel (veel bloedvaten en zenuwen)
- Glad spierweefsel
- Hoefijzervormige kraakbeenstukken (houden luchtpijp open)
§ 4.1.5 Longen
Iedere long bevat zo’n 150 miljoen longblaasjes. Beiden longen zijn omgeven door een
dubbel vlies:
- Buitenste blad, borstvlies, vergroeid met binnenzijde borstkas en middenrif
- Binnenste blad, longvlies, is op longoppervlak gelegen
In ruimte tussen beide vliezen (de pleuraholte) bevindt zich het pleuravocht.
§ 4.2 Gaswisseling
In de longblaasjes vindt uitwisseling van gassen plaats, wat berust op diffusie (stof beweegt
zich van plaatsen waar grotere hoeveelheid van die stof bevindt, naar kleinere hoeveelheid).
§4.3.1 Inademing
Inademing is gevolg van groter worden van de borstholte, dit wordt vergroot door: