1
Stelling:
Wanneer de consument zich goed bewust is van zijn behoeften, spreken we van manifeste
behoeften.
A. Juist
B. Onjuist
2
De menselijke behoefte aan water en voedsel is een:
A. secundaire behoefte
B. primaire behoefte
C. objectieve behoefte
D. subjectieve behoefte
3
Stelling I:
De behoeften en aspiraties van de consument passen zich aan de feitelijke mogelijkheden aan.
Stelling II:
Als de mogelijkheden toenemen, nemen de aspiraties af en als de mogelijkheden afnemen, nemen
de aspiraties toe.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
4
René werkt hard, omdat hij in de toekomst graag een vrijstaand huis met een tuin wil kopen. Dit is
een voorbeeld van:
A. een aspiratie
B. een waarde
C. een latente behoefte
D. een primaire behoefte
5
Stelling I:
Projectie is het tegenovergestelde van identificatie.
Stelling II:
Identificatie komt niet ten goede aan iemands zelfbeeld.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.