Probleem 1: Wie zijn onze landgenoten?
Leerdoel 1: Welke groepen wonen er in Nederland + rijtje probleem
3 herkomsten van immigranten
De immigranten betreffen:
- Landen met een vergelijkbare sociaaleconomische structuur en cultuur (westerse landen)
- Voormalige koloniën (Indonesië, de Molukken, Suriname en de Antillen/Aruba) politieke
redenen, of om onderwijs te volgen
- Landen rond de Middellandse Zee (Marokko, Turkije, Spanje, Italië, Portugal, Griekenland, ex-
Joegoslavië) om economische redenen
Voor het vaststellen van de groepen worden alleen nog maar objectieve identificatiecriteria gebruikt, zoals het
geboorteland van de ouders. Er wordt uitgegaan van de ruime definitie: ten minste één van de ouders is buiten
Nederland geboren. Subjectieve identificatiecriteria is verboden.
Het proces van migratie
Migratie wordt vaak gezien als een proces dat bepaald wordt door push- en pullfactoren. Pushfactoren
stimuleren tot emigratie en pullfactoren tot immigratie. Hoge werkloosheid in het land van emigratie is een
pushfactor en een tekort aan arbeidskrachten in het land van immigratie is een pullfactor. Deze factoren zijn op
collectief en op individueel niveau werkzaam. Als er op collectief niveau een migratietraditie is ontstaan, is dit
op individueel niveau een pullfactor. Elke groep heeft zijn eigen migratiegeschiedenis.
SURINAMERS
Suriname is een Nederlandse kolonie geweest (1667-1975) met een plantage-economie. Voor het werk werden
slaven uit West-Afrika gehaald. Na de afschaffing van de slavernij haalde men arbeiders uit India en Indonesië.
Er zijn verschillende bevolkingsgroepen in Suriname: Creolen, Hindoestanen, Chinezen en Javanen. Er ontstond
ook een gemengde bevolking, bestaande uit afstammelingen van witte meesters en zwarte slavinnen. De
bevolking stuurde hun kinderen naar Nederland voor het volgen van onderwijs. In de jaren voorafgaand aan de
onafhankelijkheid van Suriname trokken mensen ook naar Nederland omdat zij bang waren voor de politieke
overheersing van de Creoolse Surinamers na de onafhankelijkheid. Er was dus een educatieve emigratie
(pullfactor in Nederland) en een politiek en economisch karakter (pushfactoren in Suriname).
- Goede beheersing Nederlandse taal
- Qua opleiding ingehaald door Turken en Marokkanen
- Vrouwen werken net zo vaak als de Nederlandse vrouw
- Minste werkloosheid van alle groepen
- Best geïntegreerd in Nederland
MAROKKANEN EN TURKEN
De volgende fasen zijn te onderscheiden:
1. De periode van arbeidsmigratie
2. Gezinshereniging in Nederland
3. De vorming van etnische gemeenschappen met eigen voorzieningen
4. Gezinsvorming
Veel mensen kwamen naar Nederland om hier geld te verdienen en zo hun familie in hun land van herkomst te
ondersteunen. Na verloop van tijd besloten veel buitenlandse werknemers toch hun gezin naar Nederland te
halen. Niet zozeer om zich in Nederland te vestigen, maar vooral vanwege gezinsproblemen en de toekomst van
de kinderen. In de periode na de gezinshereniging vormden zij etnische gemeenschappen met eigen
voorzieningen zoals koffie- en theehuizen, moskeeën, scholen, etc. Na 1980 kwam de gezinsvorming op gang.
Veel Marokkanen en Turken huwelijkten hun zoons en dochters uit aan een partner uit het land van herkomst,
die vervolgens naar Nederland kwam.
, Samenvatting 1.8 Ontwikkeling en Onderwijs vanuit Multicultureel Perspectief
Marokkanen
- Voor Marokkanen is religie belangrijk, er is in het land van herkomst geen scheiding tussen kerk en
staat. In Nederland is dit wel zo, dus dit kan integratie lastig maken.
- Steeds betere beheersing van Nederlandse taal
- Opleidingsniveau neemt over het algemeen toe
- Meeste werkloosheid van alle groepen
- Wel banden met het land van herkomst, maar ook goed geïntegreerd
Turken
- Grootste groep
- Slechte beheersing van Nederlandse taal en minder goede vooruitgang
- Minder analfabeten dan Marokkanen
- Van alle groepen de meest gunstige positie op de arbeidsmarkt, toch wel werkloosheid
- Vrouwen ook steeds meer aan het werk
- Religie: meer scheiding tussen kerk en staat
- Hechten veel waarde aan banden met land van herkomst
VLUCHTELINGEN
De laatste tijd neemt vooral het aantal vluchtelingen en asielzoekers toe. Zij zijn vooral afkomstig uit
Afghanistan, Irak, Iran en Somalië. Een grote groep van de asielzoekers krijgt een status en gaat zich in
Nederland vestigen. Van de integratie van de nieuwe instroom (Syriërs en Eritreeërs) weten we nog weinig. Er
is dus meer bekend over de vorige groep vluchtelingen.
Hun positie op de arbeidsmarkt is doorgaans slechter dan die van andere niet-Westerse migrantengroepen, zoals
Turken en Marokkanen. Er zijn ook verschillen tussen de vluchtelingen onderling. Maar met een langer verblijf
neemt de arbeidsparticipatie toe.
De ongunstige positie van vluchtelingegroepen hangt ook samen met de lage participatie van vrouwen.
Hun positie is erg zwak. Het zeer lage opleidingsniveau van de vrouwen speelt hierbij een rol. Dit heeft
voor deze vrouwen een negatieve invloed op het leren van Nederlands en het vinden van werk. Hoger
opgeleide vrouwen doen het beter.
Ook de lange asielprocedure zorgt ervoor dat het moeilijk is om te integreren.
Veel vluchtelingen kampen met gezondheidsproblemen.
Ook sociaal-culturele factoren zijn belangrijk. Netwerken zijn noodzakelijk voor het vinden van werk.
Veel vluchtelingen hebben contact met de autochtone Nederlanders, dit is positief voor hun
arbeidsmarkt integratie. Dit hangt wel samen met hun woonomgeving.
Buitenlandse diploma’s, geen Nederlandse diploma’s
Kennen de taal vaak niet. De taalbeheersing hangt samen met het wel/niet volgen van een
inburgeringscursus en de gezondheid.
Migratiereden: Ongunstige politieke en religieuze omstandigheden. Kenmerkend voor deze groepen is dat het
merendeel van hen als asielmigrant naar Nederland is gekomen.
38.000 Afghanen, 52.000 Irakesen, 31.000 Iranen, 27.000 Somaliers
Samen gaat het om een kleine 150.000 personen = kleinste groep
Iran
- Begin jaren 90
- Minst moeite met de Nederlandse taal
- Over het algemeen zeer hoog opgeleid
- 1/5 deel is werkloos
- Geloof speelt geen grote rol (20% is christelijk)
- Meeste familiecontact, maar sturen het minste geld
Somalië
, Samenvatting 1.8 Ontwikkeling en Onderwijs vanuit Multicultureel Perspectief
- Begin jaren 90
- Meest moeite met de Nederlandse taal
- Zeer laag opgeleid
- 1/3 deel is werkloos
- Sterk georiënteerd op geloof (meestal moslim)
- Minst vaak contact met land van herkomst, maar sturen het meeste geld
Afghanistan
- Tweede helft jaren 90
- Vaker problemen met Nederlands, maar niet verschillend van Turken
- 1/3 deel is werkloos
- Kennen een groep hoogopgeleiden, maar tellen meer personen op middelbaar onderwijs, dus zowel
hoog als laag opgeleid
- Bijna zonder uitzondering moslim
Irak
- Tweede helft jaren 90
- Vaker problemen met Nederlands, maar niet vaker dan Turken
- Kennen veel hoogopgeleiden, maar tellen meer personen op middelbaar onderwijs, dus zowel hoog
als laag opgeleid
- 1/3 deel is werkloos
- 20% heeft een christelijk geloof
POLEN EN BULGAREN
Er verblijven naar schatting 160.000 – 180.000 Polen in Nederland en 34.000 – 44.000 Bulgaren. Zij kunnen
zich vrij vestigen in Nederland. Er zijn mensen die maar tijdelijk blijven (4 maanden) en mensen die hier blijven
wonen.
Migratiereden: Het merendeel van de Polen en Bulgaren is voor werk naar Nederland gekomen (80% en 64%),
een kleiner deel vanwege gezinsredenen (14% en 20%) en een aanzienlijk deel van de arbeidsmigranten uit
Polen en Bulgaren is vrouw (44%). Er zijn ook mensen voor opleiding naar Nederland gekomen.
Opleidingsniveau: Het merendeel van de Poolse jongvolwassenen heeft een opleiding voltooid op het niveau van
een startkwalificatie voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Vrouwen zijn hoger opgeleid dan mannen. Bulgaren zijn
echter overwegend laagopgeleid. Het is vergelijkbaar met de Turken, maar Turken zijn iets hoger opgeleid.
Werkloosheid: De meeste recent gemigreerde Polen hebben een baan in Nederland, dat geldt voor 84% van de
Polen. Het verschil met de Bulgaren is groot. Van de Turks-Bulgaarse migranten werkt 47% na migratie in
Nederland, van de etnische Bulgaren 59%. Van diegenen die werken, werkt ook nog eens een groot gedeelte
weinig uren. Wat hier mogelijk aan de hand is, is dat Bulgaren vaak een informeel mondeling contract hebben
en/of zwart werken. Met betrekking tot de werkloosheid is het verschil tussen Polen en Bulgaren eveneens
groot. Van de Polen is 8% werkloos, onder Bulgaren ligt dit aandeel op 45%.
Nederlandse taal: Gezien de korte periode dat ze in Nederland verblijven, is het niet verwonderlijk dat de
beheersing van de Nederlandse taal te wensen overlaat. Toch zegt een op de drie Polen en Bulgaren het
Nederlands wel goed te verstaan. We zagen in ons onderzoek dat de Polen en Bulgaren kort na hun migratie al
veel contacten met autochtone Nederlanders onderhouden. Dit zijn doorgaans de minder diepgaande contacten,
bijvoorbeeld met collega’s op het werk. De hechtere contacten zijn vaak met herkomstgenoten.
Geloofsovertuiging: De recent gemigreerde Poolse migranten zijn overwegend katholiek en beschouwen
zichzelf als vrij religieus. Het kerkbezoek onder de Polen is echter laag en is na migratie naar Nederland ook nog
aanzienlijk afgenomen. Poolse migranten zijn duidelijk conservatiever dan autochtone Nederlanders over
bijvoorbeeld zaken als echtscheiding en homoseksualiteit.
Verblijfsperspectief: Uit het huidige onderzoek blijkt dat van de Polen bijna de helft (45%) verwacht in
Nederland te blijven wonen. Onder de Bulgaren geldt dit voor een kwart. Meer Polen dan Bulgaren hebben dus
een langduriger verblijfsperspectief in Nederland voor ogen. Het betreft vooral degenen die hier met partner en
kinderen zijn.
CHINESE NEDERLANDERS
In Nederland wonen 71.500 Chinese migranten en hun nakomelingen (afkomstig uit Volksrepubliek China en
Hongkong). uit Hongkong.
Migratiereden: De vroegst gearriveerde Chinezen kwamen vooral voor arbeid (werken in de horeca). Daarna
kwam de gezinsmigratie op gang. In de laatste tien jaar is de Chinese bevolkingsgroep sterk in omvang
, Samenvatting 1.8 Ontwikkeling en Onderwijs vanuit Multicultureel Perspectief
toegenomen. Dit komt vooral door immigratie van Chinezen uit de Volksrepubliek en niet zozeer door toename
van de tweede generatie. De helft van deze instroom bestaat uit studiemigranten. Daarnaast neemt het aantal
kennismigranten toe.
Opleidingsniveau: In vergelijking met andere migrantengroepen zijn de Chinezen in Nederland relatief hoog
opgeleid. Het gemiddelde opleidingsniveau ligt echter wel onder dat van autochtone Nederlanders, omdat er
naast een aanzienlijke groep met een hogeronderwijsdiploma (een kwart), eenzelfde aandeel maximaal
basisonderwijs heeft gevolgd en dat is veel meer dan onder autochtone Nederlanders (7%).
In het onderwijs presteren Chinees-Nederlandse kinderen zeer goed.
Nederlandse taal: Chinese Nederlanders van de eerste generatie hebben in vergelijking met andere
migrantengroepen veel moeite met de Nederlandse taal en spreken die taal weinig in de context van het eigen
gezin. Gezien het relatief hoge opleidingsniveau en de lange verblijfsduur van Chinezen is het opvallend dat de
taalbeheersing relatief slecht is. Toch is er een duidelijke relatie met deze twee factoren: hoe langer Chinese
Nederlanders in Nederland zijn en hoe hoger het opleidingsniveau, hoe beter zij het Nederlands beheersen. Voor
de tweede generatie is het beeld totaal anders. Zij communiceren weliswaar met hun ouders in de moedertaal,
maar spreken goed Nederlands
Inkomen: De inkomenspositie van Chinese Nederlanders is kwetsbaar. Een op de vijf huishoudens van Chinese
herkomst valt in de laagste inkomenscategorie en moet rondkomen van een inkomen onder 10.000 euro.
Opvattingen: De culturele opvattingen van Chinese Nederlanders zijn minder traditioneel dan die van Turkse en
Marokkaanse Nederlanders, al is het duidelijk dat de familie een centrale plaats inneemt.
In vergelijking met andere migrantengroepen voelen Chinese Nederlanders zich meer geaccepteerd en hebben zij
minder het idee dat het maatschappelijke klimaat ongunstig is voor migranten. Ondanks het relatief geringe
contact is de wederzijdse beeldvorming tussen Chinese Nederlanders en autochtonen positief. Ook zijn Chinese
Nederlanders positief over de Nederlandse samenleving.
Leerdoel 2: Wat is de visie van Harkness en Super?
Het ecologisch model van Bronfenbrenner biedt een geschikt kader voor de beschrijving en analyse van de
opvoeding en leefsituatie van allochtone jeugdigen. Met behulp van dit model kan de sociale omgeving en met
name het dubbele referentiekader van allochtone gezinnen in kaart worden gebracht.
Bronfenbrenner gaat ervan uit dat de omgeving waarin kinderen opgroeien grote invloed heeft op hun
ontwikkeling en gedrag. Hij ziet de menselijke ontwikkeling als de voortgaande, wederzijds aanpassing tussen
een opgroeiend kind en zijn directe omgeving.
Microsysteem
Mesosysteem
Exosysteem
Macrosysteem
Bronfenbrenner beperkt de culturele dimensie in zijn ecologisch model tot het macroniveau hij hield zich
vooral bezig met kinderen in de monoculturele settingen. Allochtone kinderen groeien echter vaak op in
biculturele settingen. Om de culturele dimensie van de opvoeding van allochtone jeugdigen expliciet te maken
developmental niche.
Harkness & Super hebben een theoretisch raamwerk ontwikkeld en richt zich op de culturele dimensie van de
omgeving waarin kinderen opgroeien. Het theoretisch raamwerk van de developmental niche vormt een
aanvulling op het sociaal-ecologisch model. Volgens Harkness en Super houden ontwikkelingspsychologen die
vanuit een ecologisch model werken te weinig rekening met de culturele structurering van de omgeving.
Cultureel antropologen besteden veel aandacht aan de cultuur van een samenleving, maar nauwlijks aan kinderen
en opvoeding. Het model van Harkness en Super combineert beide inzichten. De developmental niche is
opgebouwd uit drie subsystemen:
1. De fysische en sociale settingen waarin een kind leeft → Dagelijkse settingen waarin een kind verkeert,
vormen een van de belangrijkste culturele invloeden op een kind. Deze kunnen van cultuur tot cultuur
sterk verschillen. Bijvoorbeeld het feit dat Westerse baby’s veel tijd in hun slaapkamer doorbrengen,
maar niet-Westerse baby’s overal mee naartoe worden genomen.